BWBR0021670
Geldig vanaf 2007-10-17
Artikel 12
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1. Het college stelt jaarlijks een werkplan voor het eerstvolgende jaar vast. Het werkplan bevat tevens een visie op de ontwikkelingen voor de eerstvolgende vier jaren met betrekking tot aard en omvang van de aan het college toebedeelde taken en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de organisatie. Het werkplan wordt vóór 1 oktober aan Onze Ministers ter kennis gebracht.
2. Indien de goedkeuring wordt onthouden aan de begroting, is het college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande jaar waarmee is ingestemd.
3. Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het college alsmede naar de doeltreffendheid van de uitvoering en het beleid van het college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van dit onderzoek inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle inlichtingen die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de inrichting van het werkplan, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaarverslag, de begroting en de jaarrekening bedoeld, in <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>.
2. Indien de goedkeuring wordt onthouden aan de begroting, is het college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande jaar waarmee is ingestemd.
3. Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het college alsmede naar de doeltreffendheid van de uitvoering en het beleid van het college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van dit onderzoek inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle inlichtingen die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de inrichting van het werkplan, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaarverslag, de begroting en de jaarrekening bedoeld, in <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>.