BWBR0021670
Geldig vanaf 2007-10-17
Artikel 74
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1. Het binnen Nederland brengen, de productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten biociden zijn in afwijking van artikel 43toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de biociden zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie waar de biociden wel zijn toegelaten, of voor gebruik in een derde land en aldaar niet verboden zijn, en is voldaan aan bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften.
2. De productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn in afwijking van artikel 20toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de gewasbeschermingsmiddelen zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie en het bewuste gewasbeschermingsmiddel daar is toegelaten, of voor gebruik in een derde land, en is voldaan aan bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften in verband met het kunnen controleren dat het bewuste middel niet op het Nederlandse grondgebied wordt gebruikt dan wel daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
3. De voorschriften bedoeld in het eerste en het tweede lid hebben betrekking op:
a. de bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide is bestemd voor een andere lidstaat of een derde land;
b. eisen met betrekking tot de verpakking, de etikettering, de opslag, het vervoer en de administratie van de bewuste partij gewasbeschermingsmiddelen of biociden; en
c. andere eisen voor zover nodig voor een goede uitvoering van artikel 28, tweede lid, onderdelen c en d, van verordening (EG) 1107/2009.
2. De productie, de opslag en het vervoer van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn in afwijking van artikel 20toegestaan, indien aangetoond kan worden dat de gewasbeschermingsmiddelen zijn bestemd voor gebruik in een andere lidstaat van de Europese Unie en het bewuste gewasbeschermingsmiddel daar is toegelaten, of voor gebruik in een derde land, en is voldaan aan bij regeling van Onze Minister gestelde voorschriften in verband met het kunnen controleren dat het bewuste middel niet op het Nederlandse grondgebied wordt gebruikt dan wel daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
3. De voorschriften bedoeld in het eerste en het tweede lid hebben betrekking op:
a. de bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide is bestemd voor een andere lidstaat of een derde land;
b. eisen met betrekking tot de verpakking, de etikettering, de opslag, het vervoer en de administratie van de bewuste partij gewasbeschermingsmiddelen of biociden; en
c. andere eisen voor zover nodig voor een goede uitvoering van artikel 28, tweede lid, onderdelen c en d, van verordening (EG) 1107/2009.