BWBR0021101
Geldig vanaf 2007-02-02
Artikel 7
Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007
1. Bij ministeriële regeling worden de perioden vastgesteld, na afloop waarvan de aanvragen om subsidie op grond van artikel 3die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan artikel 8, worden behandeld.
2. Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies op grond van artikel 3op de in een periode als bedoeld in het eerste lid ontvangen aanvragen. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën aanvragers.
3. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt in 2007 vastgesteld op 17 mei tot en met 4 oktober.
4. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 3ontvangen in de in het derde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op:
a. € 2.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel a, b en c;
b. € 2.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel d;
c. € 1.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel e.
2. Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies op grond van artikel 3op de in een periode als bedoeld in het eerste lid ontvangen aanvragen. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën aanvragers.
3. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt in 2007 vastgesteld op 17 mei tot en met 4 oktober.
4. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van artikel 3ontvangen in de in het derde lid genoemde periode, wordt vastgesteld op:
a. € 2.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel a, b en c;
b. € 2.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel d;
c. € 1.000.000 voor onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onderdeel e.