BWBR0021101
Geldig vanaf 2007-02-02
Artikel 23
Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007
1. De minister wint omtrent de uitwerking van de aanvragen bedoeld in artikel 21, eerste lid, het advies in van de Adviescommissie Onderwijs en Ondernemerschap.
2. De minister beslist, daarbij geadviseerd door de commissie, afwijzend op een aanvraag indien:
a. de uitwerking van de aanvraag onvoldoende voldoet aan artikel 21;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen het CE-project kunnen financieren;
c. het onaannemelijk is dat het CE-project binnen een termijn van 12 maanden kan aanvangen;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de organisatorische capaciteiten van de aanvrager om het CE-project naar behoren uit te kunnen voeren;
e. het CE-project onvoldoende zal bijdragen aan het tot stand brengen van effectief ondernemerschapsonderwijs.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop niet met toepassing van het tweede lid afwijzend is beslist, zodanig dat een CE-project hoger gerangschikt wordt naar mate het:
a. door de bestaande infrastructuur en kennis van de hoger onderwijsinstelling en de bij het CE-project betrokken partijen meer bijdraagt aan de verankering en continuïteit van het ondernemerschapsonderwijs;
b. de kwaliteit van het projectplan hoger is;
c. meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van de door het Centre van Entrepreneurship uitgevoerde activiteiten.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
5. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.
2. De minister beslist, daarbij geadviseerd door de commissie, afwijzend op een aanvraag indien:
a. de uitwerking van de aanvraag onvoldoende voldoet aan artikel 21;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen het CE-project kunnen financieren;
c. het onaannemelijk is dat het CE-project binnen een termijn van 12 maanden kan aanvangen;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de organisatorische capaciteiten van de aanvrager om het CE-project naar behoren uit te kunnen voeren;
e. het CE-project onvoldoende zal bijdragen aan het tot stand brengen van effectief ondernemerschapsonderwijs.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop niet met toepassing van het tweede lid afwijzend is beslist, zodanig dat een CE-project hoger gerangschikt wordt naar mate het:
a. door de bestaande infrastructuur en kennis van de hoger onderwijsinstelling en de bij het CE-project betrokken partijen meer bijdraagt aan de verankering en continuïteit van het ondernemerschapsonderwijs;
b. de kwaliteit van het projectplan hoger is;
c. meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van de door het Centre van Entrepreneurship uitgevoerde activiteiten.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
5. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.