BWBR0021101
Geldig vanaf 2007-02-02
Artikel 2
Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007
1. Er is een Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en tenminste 4 en ten hoogste 8 leden. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft. Zij zijn geen ambtenaren, werkzaam bij de rijksoverheid, en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 4 jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
6. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
7. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het jaarverslag wordt aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
10. Op verzoek van de minister, maar in ieder geval het tweede en het vierde jaar, stelt de commissie een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het evaluatieverslag wordt aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en tenminste 4 en ten hoogste 8 leden. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft. Zij zijn geen ambtenaren, werkzaam bij de rijksoverheid, en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 4 jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
6. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
7. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het jaarverslag wordt aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
10. Op verzoek van de minister, maar in ieder geval het tweede en het vierde jaar, stelt de commissie een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het evaluatieverslag wordt aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.