BWBR0021101
Geldig vanaf 2007-02-02
Artikel 11
Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007
1. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10afwijzend is beslist, het advies in van de Adviescommissie onderwijs en ondernemerschap.
2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;
b. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs van de betrokken onderwijsinstellingen.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop niet met toepassing van het tweede lid afwijzend is beslist, zodanig, dat een ondernemerschapsonderwijsproject hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. het meer bijdraagt aan de doelstellingen zoals die zijn vastgesteld in de sectorraamwerken;
b. het meer bijdraagt aan ondernemerschap als onderdeel van de leeromgeving of het curriculum van leerlingen en studenten;
c. de kwaliteit van het projectplan hoger is;
d. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal onderwijsinstellingen bereikt;
e. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal leerlingen of studenten van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen bereikt;
f. het meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van het ondernemerschapsonderwijs.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
5. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.
2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;
b. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs van de betrokken onderwijsinstellingen.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop niet met toepassing van het tweede lid afwijzend is beslist, zodanig, dat een ondernemerschapsonderwijsproject hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. het meer bijdraagt aan de doelstellingen zoals die zijn vastgesteld in de sectorraamwerken;
b. het meer bijdraagt aan ondernemerschap als onderdeel van de leeromgeving of het curriculum van leerlingen en studenten;
c. de kwaliteit van het projectplan hoger is;
d. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal onderwijsinstellingen bereikt;
e. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal leerlingen of studenten van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen bereikt;
f. het meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van het ondernemerschapsonderwijs.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
5. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.