BWBR0020800
Geldig vanaf 2012-12-14
Artikel 19
Regeling inrichting landelijk gebied
1. Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald aan de hand van een of meer van de volgende kenmerken:
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.
2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.
2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.