BWBR0020764
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 7:8
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
De volgende posities zijn uitgezonderd van de toepassing van artikel 102, eerste en tweede lid, van het Besluit:
a. de volgende activa die, als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen: 1°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken;
2°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken;
3°. activa die vorderingen vertegenwoordigen die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector; en
4°. andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector;
1°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken;
2°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken;
3°. activa die vorderingen vertegenwoordigen die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector; en
4°. andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector;
b. vorderingen als bedoeld in artikel 61, zevende lid, van het Besluit, als deze ingevolge hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, waarbij posities die niet aan de criteria van artikel 61, zevende lid, van het Besluit voldoen in beginsel worden aangemerkt als posities jegens derden;
c. activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lokale overheden van lidstaten dan wel vorderingen op of gegarandeerd door regionale en lokale overheden, als deze vorderingen op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen;
d. de volgende activa en andere posities die volledig zijn gegarandeerd door onderpand uitgegeven door of gedeponeerd bij de leningverstrekkende bank dan wel bij een bank die de moederonderneming of de dochteronderneming van de leningverstrekkende bank is, mits dit onderpand in de vorm is van: 1°. deposito’s in contanten, met inbegrip van contanten die worden ontvangen in het kader van een door de bank uitgegeven credit linked note respectievelijk in het kader van een verrekening als bedoeld in afdeling 4.2;
2°. depositocertificaten; of
3°. schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lokale overheden dan wel lichamen van de publieke sector van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zou krijgen en voor zover het in aanmerking genomen onderpand een overwaarde heeft van ten minste 12%;
1°. deposito’s in contanten, met inbegrip van contanten die worden ontvangen in het kader van een door de bank uitgegeven credit linked note respectievelijk in het kader van een verrekening als bedoeld in afdeling 4.2;
2°. depositocertificaten; of
3°. schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lokale overheden dan wel lichamen van de publieke sector van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zou krijgen en voor zover het in aanmerking genomen onderpand een overwaarde heeft van ten minste 12%;
e. posities die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten met een laag risico als bedoeld in bijlage 2D, mits met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de faciliteit alleen mag worden opgenomen als vaststaat dat de limiet, bedoeld in artikel 102, eerste en tweede lid, van het Besluit, daardoor niet wordt overschreden;
f. activa die vorderingen vertegenwoordigen op en andere posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, jegens regionale financiële ondernemingen of centrale kredietinstellingen waarmee de financiële onderneming krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;
g. activa die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden;
h. 50% van de documentaire kredieten met middelhoog tot laag risico buiten de balanstelling en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling, bedoeld in bijlage 2D, onderdeel 3, alsmede, met instemming van DNB, 80% van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsgrondslag die voor de leden worden verstrekt door onderlinge garantiesystemen met de status van financiële onderneming;
i. posities die zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere effecten dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, mits: 1°. de in onderpand gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd;
2°. deze effecten op een gereglementeerde markt zijn genoteerd;
3°. deze effecten een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten van 100%, dan wel, indien de effecten aandelen betreffen, deze effecten een overwaarde bezitten van 150%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door financiële ondernemingen, regionale overheden of lokale overheden van de lidstaten, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken, andere dan die welke op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%;
4°. geen verschil bestaat tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie of, indien wel sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, de zekerheid niet in aanmerking wordt genomen; en
5°. de in onderpand gegeven effecten niet tot het toetsingsvermogen van de financiële onderneming worden gerekend; en
1°. de in onderpand gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd;
2°. deze effecten op een gereglementeerde markt zijn genoteerd;
3°. deze effecten een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten van 100%, dan wel, indien de effecten aandelen betreffen, deze effecten een overwaarde bezitten van 150%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door financiële ondernemingen, regionale overheden of lokale overheden van de lidstaten, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken, andere dan die welke op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%;
4°. geen verschil bestaat tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie of, indien wel sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, de zekerheid niet in aanmerking wordt genomen; en
5°. de in onderpand gegeven effecten niet tot het toetsingsvermogen van de financiële onderneming worden gerekend; en
j. leningen die zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn in overeenstemming met de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere, gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur (leasing) voor woningen krachtens welke de verhuurder (lessor) de volledige eigendom van de verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50% van de waarde van de betrokken woning, mits: 1°. de waarde van het goed berekend wordt overeenkomstig artikel 2:29, onderdeel b; en
2°. de waardering van het goed ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt.
1°. de waarde van het goed berekend wordt overeenkomstig artikel 2:29, onderdeel b; en
2°. de waardering van het goed ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt.
a. de volgende activa die, als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen: 1°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken;
2°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken;
3°. activa die vorderingen vertegenwoordigen die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector; en
4°. andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector;
1°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken;
2°. activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken;
3°. activa die vorderingen vertegenwoordigen die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector; en
4°. andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of lichamen van de publieke sector;
b. vorderingen als bedoeld in artikel 61, zevende lid, van het Besluit, als deze ingevolge hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, waarbij posities die niet aan de criteria van artikel 61, zevende lid, van het Besluit voldoen in beginsel worden aangemerkt als posities jegens derden;
c. activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lokale overheden van lidstaten dan wel vorderingen op of gegarandeerd door regionale en lokale overheden, als deze vorderingen op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen;
d. de volgende activa en andere posities die volledig zijn gegarandeerd door onderpand uitgegeven door of gedeponeerd bij de leningverstrekkende bank dan wel bij een bank die de moederonderneming of de dochteronderneming van de leningverstrekkende bank is, mits dit onderpand in de vorm is van: 1°. deposito’s in contanten, met inbegrip van contanten die worden ontvangen in het kader van een door de bank uitgegeven credit linked note respectievelijk in het kader van een verrekening als bedoeld in afdeling 4.2;
2°. depositocertificaten; of
3°. schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lokale overheden dan wel lichamen van de publieke sector van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zou krijgen en voor zover het in aanmerking genomen onderpand een overwaarde heeft van ten minste 12%;
1°. deposito’s in contanten, met inbegrip van contanten die worden ontvangen in het kader van een door de bank uitgegeven credit linked note respectievelijk in het kader van een verrekening als bedoeld in afdeling 4.2;
2°. depositocertificaten; of
3°. schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lokale overheden dan wel lichamen van de publieke sector van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zou krijgen en voor zover het in aanmerking genomen onderpand een overwaarde heeft van ten minste 12%;
e. posities die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten met een laag risico als bedoeld in bijlage 2D, mits met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de faciliteit alleen mag worden opgenomen als vaststaat dat de limiet, bedoeld in artikel 102, eerste en tweede lid, van het Besluit, daardoor niet wordt overschreden;
f. activa die vorderingen vertegenwoordigen op en andere posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, jegens regionale financiële ondernemingen of centrale kredietinstellingen waarmee de financiële onderneming krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;
g. activa die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden;
h. 50% van de documentaire kredieten met middelhoog tot laag risico buiten de balanstelling en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling, bedoeld in bijlage 2D, onderdeel 3, alsmede, met instemming van DNB, 80% van andere dan leninggaranties met een wettelijke of regelgevingsgrondslag die voor de leden worden verstrekt door onderlinge garantiesystemen met de status van financiële onderneming;
i. posities die zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere effecten dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, mits: 1°. de in onderpand gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd;
2°. deze effecten op een gereglementeerde markt zijn genoteerd;
3°. deze effecten een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten van 100%, dan wel, indien de effecten aandelen betreffen, deze effecten een overwaarde bezitten van 150%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door financiële ondernemingen, regionale overheden of lokale overheden van de lidstaten, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken, andere dan die welke op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%;
4°. geen verschil bestaat tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie of, indien wel sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, de zekerheid niet in aanmerking wordt genomen; en
5°. de in onderpand gegeven effecten niet tot het toetsingsvermogen van de financiële onderneming worden gerekend; en
1°. de in onderpand gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd;
2°. deze effecten op een gereglementeerde markt zijn genoteerd;
3°. deze effecten een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten van 100%, dan wel, indien de effecten aandelen betreffen, deze effecten een overwaarde bezitten van 150%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door financiële ondernemingen, regionale overheden of lokale overheden van de lidstaten, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%, dan wel, indien de effecten obligaties betreffen, anders dan die bedoeld in onderdeel d, onder 3°, die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken, andere dan die welke op basis van hoofdstuk 2 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, deze effecten een overwaarde bezitten van 50%;
4°. geen verschil bestaat tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie of, indien wel sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, de zekerheid niet in aanmerking wordt genomen; en
5°. de in onderpand gegeven effecten niet tot het toetsingsvermogen van de financiële onderneming worden gerekend; en
j. leningen die zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn in overeenstemming met de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere, gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur (leasing) voor woningen krachtens welke de verhuurder (lessor) de volledige eigendom van de verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50% van de waarde van de betrokken woning, mits: 1°. de waarde van het goed berekend wordt overeenkomstig artikel 2:29, onderdeel b; en
2°. de waardering van het goed ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt.
1°. de waarde van het goed berekend wordt overeenkomstig artikel 2:29, onderdeel b; en
2°. de waardering van het goed ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt.
- Citeren als
- Art. 7:8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl