BWBR0019785
Geldig vanaf 2006-04-30
Artikel 7
Subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006
1. Een aanvrager die een project wil uitvoeren, dient uiterlijk op 10 mei 2006 een subsidieaanvraag in met gebruikmaking van de door de minister beschikbaar gestelde elektronische formats en formulieren. Een aanvraag die na 10 mei 2006 bij de minister wordt ingediend, wordt niet in behandeling genomen.
2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving. In de projectbeschrijving zijn tenminste opgenomen:
a. de beoogde prestatie van het project;
b. de begrote kosten;
c. een schatting van het aantal deelnemers bij de start van het project;
d. een inhoudelijke beschrijving van het project, alsmede een beschrijving van de extra activiteiten die in het kader van het project in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij een relatie wordt gelegd tussen de te ondernemen activiteiten en de begrote kosten;
e. een beschrijving van de projectorganisatie;
f. indien van toepassing de partners uit de verschillende sectoren met wie het project is opgezet.
3. De aanvraag van een project beroepsbegeleidend onderwijs bevat een samenwerkingsovereenkomst tussen de aanvrager en een andere partij, dan wel partijen, indien twee of meer kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij de aanvraag betrokken zijn. De samenwerkingsovereenkomst bevat tenminste de taken van de partijen met betrekking tot het project en afspraken over de verdeling van het subsidiebedrag. De samenwerkingsovereenkomst dient door de partijen te zijn ondertekend.
4. De aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de aanvrager alle krachtens deze regeling gevraagde gegevens ter beschikking heeft gesteld.
5. Uiterlijk op 1 november 2006 meldt de aanvrager aan de minister het aantal deelnemers dat bij de aanvang aan het project is geregistreerd bij de instelling, zoals blijkt uit de deelnemersadministratie. Indien de aanvrager het aantal deelnemers, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 november 2006 aan de minister heeft gemeld, wordt de aanvraag tot subsidieverlening op die grond afgewezen.
6. De minister beslist uiterlijk 15 december 2006 op de subsidieaanvraag.
2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving. In de projectbeschrijving zijn tenminste opgenomen:
a. de beoogde prestatie van het project;
b. de begrote kosten;
c. een schatting van het aantal deelnemers bij de start van het project;
d. een inhoudelijke beschrijving van het project, alsmede een beschrijving van de extra activiteiten die in het kader van het project in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij een relatie wordt gelegd tussen de te ondernemen activiteiten en de begrote kosten;
e. een beschrijving van de projectorganisatie;
f. indien van toepassing de partners uit de verschillende sectoren met wie het project is opgezet.
3. De aanvraag van een project beroepsbegeleidend onderwijs bevat een samenwerkingsovereenkomst tussen de aanvrager en een andere partij, dan wel partijen, indien twee of meer kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij de aanvraag betrokken zijn. De samenwerkingsovereenkomst bevat tenminste de taken van de partijen met betrekking tot het project en afspraken over de verdeling van het subsidiebedrag. De samenwerkingsovereenkomst dient door de partijen te zijn ondertekend.
4. De aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de aanvrager alle krachtens deze regeling gevraagde gegevens ter beschikking heeft gesteld.
5. Uiterlijk op 1 november 2006 meldt de aanvrager aan de minister het aantal deelnemers dat bij de aanvang aan het project is geregistreerd bij de instelling, zoals blijkt uit de deelnemersadministratie. Indien de aanvrager het aantal deelnemers, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 november 2006 aan de minister heeft gemeld, wordt de aanvraag tot subsidieverlening op die grond afgewezen.
6. De minister beslist uiterlijk 15 december 2006 op de subsidieaanvraag.