BWBR0019490
Geldig vanaf 2006-02-08
Artikel 8
Besluit minimumbedrag eigen vermogen pensioenfondsen
1. Het minimumbedrag van het eigen vermogen bedraagt het totaal van de in dit artikel beschreven berekeningen.
2. Voor pensioenregelingen waarbij door het pensioenfonds beleggingsrisico wordt gelopen wordt vier procent van de bruto technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijfentachtig procent.
3. Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd wordt één procent van de technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend.
4. Voor pensioenregelingen waarbij door het pensioenfonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd wordt vijfentwintig procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar gerekend.
5. Voor pensioenregelingen met risicokapitaal wordt 0,3 procent van het risicokapitaal bij overlijden vermenigvuldigd met de verhouding tussen het risicokapitaal onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
6. Voor aanvullende pensioenregelingen wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend:
a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 50 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer bedragen dan € 50 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent;
b. zesentwintig procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 35 miljoen, vermeerderd met drieëntwintig procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan € 35 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
7. Indien de hoogste uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het zesde lid, lager is dan in het afgelopen boekjaar, is de uitkomst ten minste gelijk aan de uitkomst van het afgelopen boekjaar vermenigvuldigd met de verhouding tussen de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit herverzekering aan het einde van het afgelopen boekjaar en de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit herverzekering aan het begin van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten hoogste honderd procent.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de op herverzekering gebaseerde verlaging van het minimumbedrag van het eigen vermogen overeenkomstig het tweede, vijfde, zesde en zevende lid, bedenkingen naar voren brengen indien:
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van herverzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van herverzekering.
2. Voor pensioenregelingen waarbij door het pensioenfonds beleggingsrisico wordt gelopen wordt vier procent van de bruto technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijfentachtig procent.
3. Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd wordt één procent van de technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend.
4. Voor pensioenregelingen waarbij door het pensioenfonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en waarbij de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd wordt vijfentwintig procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar gerekend.
5. Voor pensioenregelingen met risicokapitaal wordt 0,3 procent van het risicokapitaal bij overlijden vermenigvuldigd met de verhouding tussen het risicokapitaal onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
6. Voor aanvullende pensioenregelingen wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend:
a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 50 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer bedragen dan € 50 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent;
b. zesentwintig procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 35 miljoen, vermeerderd met drieëntwintig procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan € 35 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van de verzekeraar na overdracht uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent.
7. Indien de hoogste uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het zesde lid, lager is dan in het afgelopen boekjaar, is de uitkomst ten minste gelijk aan de uitkomst van het afgelopen boekjaar vermenigvuldigd met de verhouding tussen de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit herverzekering aan het einde van het afgelopen boekjaar en de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit herverzekering aan het begin van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten hoogste honderd procent.
8. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan tegen de op herverzekering gebaseerde verlaging van het minimumbedrag van het eigen vermogen overeenkomstig het tweede, vijfde, zesde en zevende lid, bedenkingen naar voren brengen indien:
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van herverzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van herverzekering.