BWBR0019490
Geldig vanaf 2006-02-08
Artikel 5
Besluit minimumbedrag eigen vermogen pensioenfondsen
1. De effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, worden voor het totaal van deze effecten en van de achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het totaal van het eigen vermogen of het minimumbedrag van het eigen vermogen, naargelang welk bedrag het laagst is, voor zover:
a. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat het pensioenfonds de rentebetaling uit kan stellen;
b. de vorderingen op het pensioenfonds uit hoofde van de genoemde effecten zijn achtergesteld ten opzichte van overige vorderingen;
c. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat verliezen kunnen worden gecompenseerd met het bedrag van de lening en nog te betalen rente; en
d. bedragen zijn gestort.
2. De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer is verkregen.
a. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat het pensioenfonds de rentebetaling uit kan stellen;
b. de vorderingen op het pensioenfonds uit hoofde van de genoemde effecten zijn achtergesteld ten opzichte van overige vorderingen;
c. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat verliezen kunnen worden gecompenseerd met het bedrag van de lening en nog te betalen rente; en
d. bedragen zijn gestort.
2. De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer is verkregen.