BWBR0019490
Geldig vanaf 2006-02-08
Artikel 3
Besluit minimumbedrag eigen vermogen pensioenfondsen
1. De ledenrekeningen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, worden alleen meegeteld, wanneer de statuten bepalen dat:
a. vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden plaatsvinden als daardoor het eigen vermogen niet daalt beneden het vereiste niveau, dan wel bij liquidatie van het pensioenfonds, als alle andere schulden zijn voldaan;
b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na melding ervan aan de Pensioen- & Verzekeringskamer; en
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer tegen deze betalingen bedenkingen naar voren kan brengen aan welke bedenkingen het pensioenfonds tegemoet zal komen.
2. De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer is verkregen.
a. vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden plaatsvinden als daardoor het eigen vermogen niet daalt beneden het vereiste niveau, dan wel bij liquidatie van het pensioenfonds, als alle andere schulden zijn voldaan;
b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na melding ervan aan de Pensioen- & Verzekeringskamer; en
c. de Pensioen- & Verzekeringskamer tegen deze betalingen bedenkingen naar voren kan brengen aan welke bedenkingen het pensioenfonds tegemoet zal komen.
2. De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer is verkregen.