BWBR0018901
Geldig vanaf 2006-01-13
Artikel 19
Diergeneesmiddelenbesluit
De artikelen 2, eerste lid, en 19 van de wetzijn niet van toepassing op:
a. homeopathische diergeneesmiddelen die zijn opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 20, eerste lid;
b. diergeneesmiddelen op basis van radioactieve isotopen;
c. diergeneesmiddelen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen: 1°. de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet zijn niet op die middelen van toepassing;
2°. zij bevatten geen substanties die zijn aangewezen krachtens artikel 5 van de wet;
3°. zij zijn uitsluitend bestemd voor toepassing bij de volgende dieren, die niet zijn bestemd voor consumptie en waarvan in voorkomend geval de eieren evenmin zijn bestemd voor consumptie: – aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
– aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
1°. de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet zijn niet op die middelen van toepassing;
2°. zij bevatten geen substanties die zijn aangewezen krachtens artikel 5 van de wet;
3°. zij zijn uitsluitend bestemd voor toepassing bij de volgende dieren, die niet zijn bestemd voor consumptie en waarvan in voorkomend geval de eieren evenmin zijn bestemd voor consumptie: – aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
– aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
d. halffabrikaten met medicinale werking;
e. entstoffen die zijn bereid met behulp van uit één of meer dieren geïsoleerde smetstoffen met het oog op de incidentele toepassing bij datzelfde dier of diezelfde dieren of dieren die daarmee tezamen worden gehouden;
f. diergeneesmiddelen die uitsluitend substanties, aangewezen door Onze Minister, als werkzaam bestanddeel bevatten;
g. diergeneesmiddelen die bestemd zijn en uitsluitend worden gebruikt voor toepassing op niet levend materiaal van dierlijke herkomst, ter onderkenning van een ziekte of de immunologische status van dieren.
a. homeopathische diergeneesmiddelen die zijn opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 20, eerste lid;
b. diergeneesmiddelen op basis van radioactieve isotopen;
c. diergeneesmiddelen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen: 1°. de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet zijn niet op die middelen van toepassing;
2°. zij bevatten geen substanties die zijn aangewezen krachtens artikel 5 van de wet;
3°. zij zijn uitsluitend bestemd voor toepassing bij de volgende dieren, die niet zijn bestemd voor consumptie en waarvan in voorkomend geval de eieren evenmin zijn bestemd voor consumptie: – aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
– aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
1°. de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet zijn niet op die middelen van toepassing;
2°. zij bevatten geen substanties die zijn aangewezen krachtens artikel 5 van de wet;
3°. zij zijn uitsluitend bestemd voor toepassing bij de volgende dieren, die niet zijn bestemd voor consumptie en waarvan in voorkomend geval de eieren evenmin zijn bestemd voor consumptie: – aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
– aquariumvissen;
– terrariumdieren;
– vogels, gehouden in kooien of volières;
– postduiven;
– kleine knaagdieren, konijnen en fretten die niet bedrijfsmatig worden gehouden;
d. halffabrikaten met medicinale werking;
e. entstoffen die zijn bereid met behulp van uit één of meer dieren geïsoleerde smetstoffen met het oog op de incidentele toepassing bij datzelfde dier of diezelfde dieren of dieren die daarmee tezamen worden gehouden;
f. diergeneesmiddelen die uitsluitend substanties, aangewezen door Onze Minister, als werkzaam bestanddeel bevatten;
g. diergeneesmiddelen die bestemd zijn en uitsluitend worden gebruikt voor toepassing op niet levend materiaal van dierlijke herkomst, ter onderkenning van een ziekte of de immunologische status van dieren.