BWBR0018540
Geldig vanaf 2005-07-20
Artikel 9
Regeling controleapparaten 2005
1. De aanvrager van een erkenning als installateur beschikt over:
a. door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte wegdraaital-meetapparatuur geschikt voor zowel mechanische als elektronische controleapparaataandrijving;
b. een door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller ten behoeve van het afstellen van elektronisch aanpasbare controleapparaten;
c. een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het wegdraaital of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;
d. een verzegelinrichting, geschikt voor de gevoerde merken controleapparaat;
e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;
f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;
g. door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;
h. overige, door de fabrikant of importeur van de gevoerde merken controleapparaat voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken en documentatie;
i. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de in het eerste lid onder d genoemde verzegelinrichting en onder a, b en f genoemde testapparatuur kunnen worden opgeborgen.
2. De aanvrager van een erkenning als installateur voor een analoog controleapparaat beschikt in aanvulling op het eerste lid over:
a. apparatuur voorzien van een loep voor het onderzoeken van registratiebladen;
b. een onderzoeksjablone, waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven;
3. De apparatuur, genoemd in het eerste lid, onderdeel f, en het tweede lid, onderdelen a en b, is niet vereist voor werkplaatsen van fabrikanten of importeurs van motorrijtuigen, mits de installaties uitsluitend betrekking hebben op motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.
4. De in dit artikel bedoelde apparatuur is deugdelijk en verkeert in goede staat.
a. door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte wegdraaital-meetapparatuur geschikt voor zowel mechanische als elektronische controleapparaataandrijving;
b. een door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller ten behoeve van het afstellen van elektronisch aanpasbare controleapparaten;
c. een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het wegdraaital of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;
d. een verzegelinrichting, geschikt voor de gevoerde merken controleapparaat;
e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;
f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;
g. door de fabrikant of importeur van controleapparaten voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;
h. overige, door de fabrikant of importeur van de gevoerde merken controleapparaat voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken en documentatie;
i. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de in het eerste lid onder d genoemde verzegelinrichting en onder a, b en f genoemde testapparatuur kunnen worden opgeborgen.
2. De aanvrager van een erkenning als installateur voor een analoog controleapparaat beschikt in aanvulling op het eerste lid over:
a. apparatuur voorzien van een loep voor het onderzoeken van registratiebladen;
b. een onderzoeksjablone, waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven;
3. De apparatuur, genoemd in het eerste lid, onderdeel f, en het tweede lid, onderdelen a en b, is niet vereist voor werkplaatsen van fabrikanten of importeurs van motorrijtuigen, mits de installaties uitsluitend betrekking hebben op motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.
4. De in dit artikel bedoelde apparatuur is deugdelijk en verkeert in goede staat.