BWBR0018540
Geldig vanaf 2005-07-20
Artikel 27
Regeling controleapparaten 2005
1. Voorafgaand aan het onderzoek wordt beoordeeld of de tachograafinstallatie is gemanipuleerd sinds het laatste onderzoek dat op de installatieplaat is vermeld.
2. De beoordeling bestaat uit de volgende handelingen:
a. controle parameters tachograaf met de installatieplaat;
b. controle op verbroken verzegelingen;
c. controle op beschadigingen van de installatie die de integriteit in twijfel trekken;
d. controle op aanwezige voorvallen en fouten in de tachograaf die duiden op manipulatie; en
e. toepassen van de externe kabelprocedure om manipulatieapparatuur detecteren.
3. Van elke beoordeling wordt een registratie bijgehouden.
4. Vaststelling van manipulatie wordt aan de Dienst Wegverkeer gemeld overeenkomstig een door deze Dienst vastgesteld model.
5. Bij het onderzoek wordt een testregistratie gemaakt met ten minste de registraties van:
a. de snelheid, in ten minste drie stappen;
b. de snelheid bij maximum snelheidsbereik;
c. de werktijd, rijtijd en rusttijd;
d. de afgelegde weg;
e. de werking van de schrijfstiftgeleiding.
6. De in het vijfde lid bedoelde testregistratie wordt uitgevoerd met behulp van:
a. een voor het desbetreffende controleapparaat goedgekeurd registratieblad indien het een analoog controleapparaat betreft; of
b. een visuele controle op snelheid indien het een digitaal controleapparaat betreft.
7. Met behulp van een leesapparaat, voorzien van een loep en een onderzoekssjabloon, wordt beoordeeld of de testregistraties op het testregistratieblad de maximaal toelaatbare fouten, genoemd in hoofdstuk III, onder f) 1 en 2 van bijlage I van verordening (EU) nr. 165/2014 niet overschrijden, indien het een analoog controleapparaat betreft.
2. De beoordeling bestaat uit de volgende handelingen:
a. controle parameters tachograaf met de installatieplaat;
b. controle op verbroken verzegelingen;
c. controle op beschadigingen van de installatie die de integriteit in twijfel trekken;
d. controle op aanwezige voorvallen en fouten in de tachograaf die duiden op manipulatie; en
e. toepassen van de externe kabelprocedure om manipulatieapparatuur detecteren.
3. Van elke beoordeling wordt een registratie bijgehouden.
4. Vaststelling van manipulatie wordt aan de Dienst Wegverkeer gemeld overeenkomstig een door deze Dienst vastgesteld model.
5. Bij het onderzoek wordt een testregistratie gemaakt met ten minste de registraties van:
a. de snelheid, in ten minste drie stappen;
b. de snelheid bij maximum snelheidsbereik;
c. de werktijd, rijtijd en rusttijd;
d. de afgelegde weg;
e. de werking van de schrijfstiftgeleiding.
6. De in het vijfde lid bedoelde testregistratie wordt uitgevoerd met behulp van:
a. een voor het desbetreffende controleapparaat goedgekeurd registratieblad indien het een analoog controleapparaat betreft; of
b. een visuele controle op snelheid indien het een digitaal controleapparaat betreft.
7. Met behulp van een leesapparaat, voorzien van een loep en een onderzoekssjabloon, wordt beoordeeld of de testregistraties op het testregistratieblad de maximaal toelaatbare fouten, genoemd in hoofdstuk III, onder f) 1 en 2 van bijlage I van verordening (EU) nr. 165/2014 niet overschrijden, indien het een analoog controleapparaat betreft.