BWBR0018540
Geldig vanaf 2005-07-20
Artikel 28
Regeling controleapparaten 2005
1. De verzegeling op het mechanisme van het controleapparaat wordt slechts door een fabrikant van controleapparaten of een reparateur aangebracht.
2. De verzegeling van de bewegingssensor aan het voertuig met het aan de erkenninghouder toegekende verzegelnummer volstaat indien het een controleapparaat betreft dat met encryptisch gecodeerde signalen werkt.
3. In geval van verbreking in het belang van toezicht op de naleving door de op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Arbeidstijdenwetaangewezen ambtenaren wordt door de betreffende ambtenaar een nieuwe verzegeling aangebracht op de plaatsen waar deze verbroken is.
4. Verbreking als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats ter controle van:
a. de juiste instelling van de apparaatconstante van het controleapparaat;
b. de juiste aansturing van de snelheidsbegrenzer;
c. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van het controleapparaat kan worden beïnvloed;
d. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van de snelheidsbegrenzer kan worden beïnvloed, indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.
5. Van de verzegeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de bestuurder een schriftelijke kennisgeving, gewaarmerkt door de betreffende ambtenaar en voorzien van het in artikel 7, onderdeel b, bedoelde verzegelnummer, uitgereikt met de reden waarom de verzegeling werd verbroken.
2. De verzegeling van de bewegingssensor aan het voertuig met het aan de erkenninghouder toegekende verzegelnummer volstaat indien het een controleapparaat betreft dat met encryptisch gecodeerde signalen werkt.
3. In geval van verbreking in het belang van toezicht op de naleving door de op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Arbeidstijdenwetaangewezen ambtenaren wordt door de betreffende ambtenaar een nieuwe verzegeling aangebracht op de plaatsen waar deze verbroken is.
4. Verbreking als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats ter controle van:
a. de juiste instelling van de apparaatconstante van het controleapparaat;
b. de juiste aansturing van de snelheidsbegrenzer;
c. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van het controleapparaat kan worden beïnvloed;
d. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van de snelheidsbegrenzer kan worden beïnvloed, indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.
5. Van de verzegeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de bestuurder een schriftelijke kennisgeving, gewaarmerkt door de betreffende ambtenaar en voorzien van het in artikel 7, onderdeel b, bedoelde verzegelnummer, uitgereikt met de reden waarom de verzegeling werd verbroken.