BWBR0016446
Geldig vanaf 2004-03-01
Artikel 8
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Ondersteunende Taken van het GVB Amsterdam 2003
1. Het hoofd van de Dienst Ondersteunende Taken van het GVB stelt in overleg met de toezichthouder op:
a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan.
b. Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het hoofd van de Dienst Ondersteunende Taken van het GVB zendt, overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, vóór 1 oktober 2005 aan de Minister van Justitie een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van opsporingsbevoegdheid voor de artikelen 266en 267 van het Wetboek van Strafrechtin de periode vanaf 1 maart 2004 tot 1 september 2005. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.
a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan.
b. Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het hoofd van de Dienst Ondersteunende Taken van het GVB zendt, overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, vóór 1 oktober 2005 aan de Minister van Justitie een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van opsporingsbevoegdheid voor de artikelen 266en 267 van het Wetboek van Strafrechtin de periode vanaf 1 maart 2004 tot 1 september 2005. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.