BWBR0016446
Geldig vanaf 2004-03-01
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Ondersteunende Taken van het GVB Amsterdam 2003
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wet personenvervoer 2000;
b. de artikelen 141, 180, 184, 266, 267, 285, 300, 310, 311, 350, 424, 425 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
c. algemene plaatselijke verordeningen, voor zover deze verordeningen samenhangen met het vervoer van personen en de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen door het bevoegd gezag;
d. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar geldt voor het grondgebied waarop het GVB vervoer verricht of lijnverbindingen exploiteert. De uitoefening van de opsporingsbevoegdheid beperkt zich daarbij tot bussen, pontveren, trams, metrotreinen en in en om daarbij behorende stations, haltes, garages en remises. Tevens wordt van de verleende opsporingsbevoegdheid uitsluitend gebruik gemaakt tijdens de uren dat de buitengewoon opsporingsambtenaar daadwerkelijk werkzaam is en overeenkomstig de aanwijzingen van de toezichthouder.
a. de Wet personenvervoer 2000;
b. de artikelen 141, 180, 184, 266, 267, 285, 300, 310, 311, 350, 424, 425 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
c. algemene plaatselijke verordeningen, voor zover deze verordeningen samenhangen met het vervoer van personen en de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen door het bevoegd gezag;
d. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar geldt voor het grondgebied waarop het GVB vervoer verricht of lijnverbindingen exploiteert. De uitoefening van de opsporingsbevoegdheid beperkt zich daarbij tot bussen, pontveren, trams, metrotreinen en in en om daarbij behorende stations, haltes, garages en remises. Tevens wordt van de verleende opsporingsbevoegdheid uitsluitend gebruik gemaakt tijdens de uren dat de buitengewoon opsporingsambtenaar daadwerkelijk werkzaam is en overeenkomstig de aanwijzingen van de toezichthouder.