1. Het hoofd van de Dienst Ondersteunende Taken van het GVB stelt in overleg met de toezichthouder op:
a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan.
b. Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het hoofd van de Dienst Ondersteunende Taken van het GVB zendt, overeenkomstig
artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, vóór 1 oktober 2005 aan de Minister van Justitie een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van opsporingsbevoegdheid voor de
artikelen 266 en
267 van het Wetboek van Strafrecht in de periode vanaf 1 maart 2004 tot 1 september 2005. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.