BWBR0016034
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 3
Regeling innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten opkomende markten
1. De subsidie bedraagt 25 procent van de projectkosten, indien deze betrekking hebben op preconcurrentiële ontwikkeling, maar niet meer dan € 500 000.
2. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten, indien deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, maar niet meer dan € 500 000.
3. Indien de projectkosten betrekking hebben op zowel preconcurrentiële ontwikkeling als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende projectkosten, maar niet meer dan € 500 000.
4. De in het eerste tot en met derde lid genoemde percentages worden verhoogd met 10 procentpunten voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10).
5. Onverminderd het vierde lid worden de in het eerste tot en met derde lid genoemde percentages verhoogd met 10 procentpunten, indien ten minste één deelnemer een in Nederland gevestigde kennisinstelling is.
6. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag, genoemd in het eerste, tweede of derde lid, noch, uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het ingevolge het eerste tot en met vijfde lid geldende percentage.
2. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten, indien deze betrekking hebben op industrieel onderzoek, maar niet meer dan € 500 000.
3. Indien de projectkosten betrekking hebben op zowel preconcurrentiële ontwikkeling als industrieel onderzoek, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van de in het eerste en tweede lid genoemde percentages van de desbetreffende projectkosten, maar niet meer dan € 500 000.
4. De in het eerste tot en met derde lid genoemde percentages worden verhoogd met 10 procentpunten voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10).
5. Onverminderd het vierde lid worden de in het eerste tot en met derde lid genoemde percentages verhoogd met 10 procentpunten, indien ten minste één deelnemer een in Nederland gevestigde kennisinstelling is.
6. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het desbetreffende bedrag, genoemd in het eerste, tweede of derde lid, noch, uitgedrukt in een percentage van de projectkosten, meer bedraagt dan het ingevolge het eerste tot en met vijfde lid geldende percentage.