BWBR0015703
Geldig vanaf 2024-12-11
Artikel 48
Participatiewet
1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.
2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;
d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
3. Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
4. Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</a>of het <a href="/wet/BWBR0015711" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</a>ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering.
2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;
d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
3. Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
4. Indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</a>of het <a href="/wet/BWBR0015711" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</a>ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering.