BWBR0013891
Geldig vanaf 2003-09-04
Artikel 74
Comptabiliteitswet 2001
1. Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
2. De leden kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46ken 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
– de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen« de president van de Algemene Rekenkamer»;
– de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
– voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
– de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vijfde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46p, vijfde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer».
3. Grond voor ontslag is voorts dat het lid handelt in strijd met artikel 73, derde lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.
2. De leden kunnen door de Hoge Raad der Nederlanden worden ontslagen of geschorst. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46ken 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
– de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen« de president van de Algemene Rekenkamer»;
– de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
– voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
– de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vijfde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer;
– in artikel 46p, vijfde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer».
3. Grond voor ontslag is voorts dat het lid handelt in strijd met artikel 73, derde lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.