BWBR0013221
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 11
Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
1. Vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, worden geacht een vergoeding te zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeelk van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.
2. Verstrekkingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, worden geacht een verstrekking te zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeelk van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen meer bedraagt dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.
2. Verstrekkingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, worden geacht een verstrekking te zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeelk van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen meer bedraagt dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.