BWBR0012833
Geldig vanaf 2004-08-03
Artikel 16
Regeling subsidiëring gebiedsgericht beleid en reconstructie concentratiegebieden
1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten in plangebieden en in reconstructiegebieden die tot doel hebben het herstel van hydrologische systemen met het oog op behoud, herstel of ontwikkeling van natuur, cultuurhistorie, landschap of landbouw, waar mogelijk gecombineerd met beperking van wateroverlast en bescherming van de drinkwaterwinning, en die passen in een of meerdere van de volgende subcategorieën:
a. inrichtingsactiviteiten bestrijding verdroging;
b. aanleg natuurlijke oevers en natte verbindingszones;
c. herstel oorspronkelijke uiterlijke verschijningsvormen van watersystemen;
d. terugdringing van ongezuiverde lozingen en emissies op oppervlaktewater of in de bodem door de aanleg van riolering en rioolvervangende systemen in landbouwgebieden;
e. bestrijding van eutrofiëring in natuurgebieden door: – de aanleg van dammen en stuwen,
– het scheiden van waterstromen, of
– het aanleggen van helofyten-vijvers daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden;
– de aanleg van dammen en stuwen,
– het scheiden van waterstromen, of
– het aanleggen van helofyten-vijvers daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden;
f. vasthouden gebiedseigen water door: – het aanleggen van bekkens,
– plaatsen van stuwen of cascades, of
– werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen;
– het aanleggen van bekkens,
– plaatsen van stuwen of cascades, of
– werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen;
g. verbeteren kwaliteit waterbodems door het uitgraven, afvoeren, opslaan of verwerken van kleinschalige, reeds lang vervuilde gronden, waarvoor een derde niet aansprakelijk gesteld kan worden.
2. De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en g, worden slechts gesubsidieerd indien de eutrofiëring of vervuiling bij de bron wordt aangepakt en opgelost.
a. inrichtingsactiviteiten bestrijding verdroging;
b. aanleg natuurlijke oevers en natte verbindingszones;
c. herstel oorspronkelijke uiterlijke verschijningsvormen van watersystemen;
d. terugdringing van ongezuiverde lozingen en emissies op oppervlaktewater of in de bodem door de aanleg van riolering en rioolvervangende systemen in landbouwgebieden;
e. bestrijding van eutrofiëring in natuurgebieden door: – de aanleg van dammen en stuwen,
– het scheiden van waterstromen, of
– het aanleggen van helofyten-vijvers daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden;
– de aanleg van dammen en stuwen,
– het scheiden van waterstromen, of
– het aanleggen van helofyten-vijvers daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden;
f. vasthouden gebiedseigen water door: – het aanleggen van bekkens,
– plaatsen van stuwen of cascades, of
– werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen;
– het aanleggen van bekkens,
– plaatsen van stuwen of cascades, of
– werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen;
g. verbeteren kwaliteit waterbodems door het uitgraven, afvoeren, opslaan of verwerken van kleinschalige, reeds lang vervuilde gronden, waarvoor een derde niet aansprakelijk gesteld kan worden.
2. De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en g, worden slechts gesubsidieerd indien de eutrofiëring of vervuiling bij de bron wordt aangepakt en opgelost.