BWBR0012377
Geldig vanaf 2001-04-04
Artikel 6
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ
1. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt algemeen mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
a. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover niet vallend onder artikel 3, tweede lid, onder a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
b. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
c. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voorzover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. de P&O-aangelegenheden van het bureau SG;
e. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden;
f. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
g. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B of bijlage A van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: 1º het aanstellen in tijdelijke dienst en het beëindigen van tijdelijke aanstellingen;
2º het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3º het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4º het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5º het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6º het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR, met uitzondering van het indelen in een lagere salarisschaal als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder i, van het ARAR, respectievelijk het verlenen van ontslag, als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR van ambtenaren in vaste dienst;
7º het schorsen van een ambtenaar in tijdelijke dienst op basis van artikel 91 van het ARAR;
8º het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
1º het aanstellen in tijdelijke dienst en het beëindigen van tijdelijke aanstellingen;
2º het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3º het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4º het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5º het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6º het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR, met uitzondering van het indelen in een lagere salarisschaal als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder i, van het ARAR, respectievelijk het verlenen van ontslag, als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR van ambtenaren in vaste dienst;
7º het schorsen van een ambtenaar in tijdelijke dienst op basis van artikel 91 van het ARAR;
8º het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
a. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover niet vallend onder artikel 3, tweede lid, onder a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
b. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
c. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voorzover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder c, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. de P&O-aangelegenheden van het bureau SG;
e. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden;
f. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
g. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B of bijlage A van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: 1º het aanstellen in tijdelijke dienst en het beëindigen van tijdelijke aanstellingen;
2º het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3º het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4º het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5º het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6º het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR, met uitzondering van het indelen in een lagere salarisschaal als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder i, van het ARAR, respectievelijk het verlenen van ontslag, als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR van ambtenaren in vaste dienst;
7º het schorsen van een ambtenaar in tijdelijke dienst op basis van artikel 91 van het ARAR;
8º het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.
1º het aanstellen in tijdelijke dienst en het beëindigen van tijdelijke aanstellingen;
2º het benoemen in en ontslaan uit kwetsbare functies;
3º het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
4º het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
5º het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
6º het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR, met uitzondering van het indelen in een lagere salarisschaal als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder i, van het ARAR, respectievelijk het verlenen van ontslag, als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR van ambtenaren in vaste dienst;
7º het schorsen van een ambtenaar in tijdelijke dienst op basis van artikel 91 van het ARAR;
8º het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.