BWBR0012377
Geldig vanaf 2001-04-04
Artikel 3
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ
1. Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op:
a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet of die genoemd zijn in artikel 10:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:
a. beslissingen die belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben;
b. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van de minister;
c. beslissingen waaruit belangrijke financiële consequenties voor het rijk voortvloeien, behoudens voorzover een beslissing een rechtstreeks gevolg is van de bestaande aard en omvang van de regeringsbemoeienis op economisch gebied;
d. het vaststellen van ministeriële regelingen en beleidsregels;
e. delegatie van bevoegdheden;
f. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal is genomen;
g. aangelegenheden met betrekking tot de secretaris-generaal.
3. Voorts heeft mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:
a. de Koningin en het Kabinet der Koningin;
b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;
e. de Raad van State, behoudens voorzover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
f. de Algemene Rekenkamer behoudens voorzover het betreft door het Bureau Economische Zaken gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.
a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet of die genoemd zijn in artikel 10:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:
a. beslissingen die belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben;
b. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van de minister;
c. beslissingen waaruit belangrijke financiële consequenties voor het rijk voortvloeien, behoudens voorzover een beslissing een rechtstreeks gevolg is van de bestaande aard en omvang van de regeringsbemoeienis op economisch gebied;
d. het vaststellen van ministeriële regelingen en beleidsregels;
e. delegatie van bevoegdheden;
f. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal is genomen;
g. aangelegenheden met betrekking tot de secretaris-generaal.
3. Voorts heeft mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:
a. de Koningin en het Kabinet der Koningin;
b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;
e. de Raad van State, behoudens voorzover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
f. de Algemene Rekenkamer behoudens voorzover het betreft door het Bureau Economische Zaken gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.