BWBR0012377
Geldig vanaf 2001-04-04
Artikel 5
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ
Aan de secretaris-generaal wordt algemeen mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1º ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2º die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, omdat zij naar het oordeel van het hoofd van dienst door de secretaris-generaal moeten worden behandeld, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
1º ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2º die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, omdat zij naar het oordeel van het hoofd van dienst door de secretaris-generaal moeten worden behandeld, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover niet vallend onder artikel 3, tweede lid, onder a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst.
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1º ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2º die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, omdat zij naar het oordeel van het hoofd van dienst door de secretaris-generaal moeten worden behandeld, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
1º ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2º die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, omdat zij naar het oordeel van het hoofd van dienst door de secretaris-generaal moeten worden behandeld, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voorzover niet vallend onder artikel 3, tweede lid, onder a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voorzover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst.