BWBR0012022
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 3
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
2. Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. De artikelen 34, 35aen 35aa van de Werkloosheidswetzijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswetoverstijgen.
2. Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
3. De artikelen 34, 35aen 35aa van de Werkloosheidswetzijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswetoverstijgen.