BWBR0012022
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 8
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van artikel 2, langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft de betrokkene die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswetheeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering.
2. Het eerste lid vindt uitzondering, indien de betrokkene gedurende de periode van werkloosheid recht heeft gehad op een aanvullende uitkering bij ziekte op grond van artikel 5.
3. Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 19 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
4. Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
5. De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.
2. Het eerste lid vindt uitzondering, indien de betrokkene gedurende de periode van werkloosheid recht heeft gehad op een aanvullende uitkering bij ziekte op grond van artikel 5.
3. Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 19 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77aen 78 van de Werkloosheidswetvan overeenkomstige toepassing.
4. Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
5. De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.