BWBR0011853
Geldig vanaf 2004-09-10
Artikel 2c
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
1. Met betrekking tot de diersoorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, en de diersoorten, genoemd in bijlage 1bij dit besluit, kan:
a. van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, d, e of f;
b. van de artikelen 15, 50, 53, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 72, vijfde lid, van de wet geen vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen g, h, i en j.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, kan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens vrijstelling of ontheffing worden verleend van de <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>, <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11</a>en <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12 van de wet</a>ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en
b. zorgvuldig wordt gehandeld.
3. Zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, houdt in elk geval in dat:
a. van de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed uitgaat op de in het eerste lid bedoelde soorten en
b voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles zal worden verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: 1°. de in het eerste lid bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.
1°. de in het eerste lid bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.
4. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op gefokte dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort die is vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn of in bijlage 1bij dit besluit.
a. van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, d, e of f;
b. van de artikelen 15, 50, 53, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 72, vijfde lid, van de wet geen vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen g, h, i en j.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, kan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde soorten tevens vrijstelling of ontheffing worden verleend van de <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>, <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11</a>en <a href="/wet/BWBR0009640/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12 van de wet</a>ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen h, i en j, mits ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde soorten:
a. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en
b. zorgvuldig wordt gehandeld.
3. Zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, houdt in elk geval in dat:
a. van de werkzaamheden of het gebruik geen wezenlijke invloed uitgaat op de in het eerste lid bedoelde soorten en
b voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles zal worden verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: 1°. de in het eerste lid bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.
1°. de in het eerste lid bedoelde dieren worden gedood, verwond, gevangen, bemachtigd of met het oog daarop worden opgespoord;
2°. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;
3°. eieren van de in het eerste lid bedoelde dieren worden beschadigd of vernield.
4. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op gefokte dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort die is vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn of in bijlage 1bij dit besluit.