BWBR0011788
Geldig vanaf 2000-12-01
Artikel 10
Wet stedelijke vernieuwing
1. Zolang het investeringsbudget niet is vastgesteld, kan Onze Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten, indien ten minste twee jaren van het investeringstijdvak zijn verstreken, ten hoogste éénmaal de verlening van investeringsbudget intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen, indien:
a. de doelstellingen waarvoor investeringsbudget is verleend kennelijk niet of niet geheel zullen worden verwezenlijkt en dit de gemeente kan worden toegerekend, of
b. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de verlening van investeringsbudget verbonden verplichtingen.
2. Zolang het investeringsbudget niet is vastgesteld, kan Onze Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten de verlening van investeringsbudget intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen, indien:
a. verleende voorschotten zijn besteed aan een ander doel dan stedelijke vernieuwing,
b. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van investeringsbudget zou hebben geleid, of
c. de verlening van investeringsbudget anderszins onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten.
3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop het investeringsbudget is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
a. de doelstellingen waarvoor investeringsbudget is verleend kennelijk niet of niet geheel zullen worden verwezenlijkt en dit de gemeente kan worden toegerekend, of
b. de gemeente niet heeft voldaan aan de aan de verlening van investeringsbudget verbonden verplichtingen.
2. Zolang het investeringsbudget niet is vastgesteld, kan Onze Minister onderscheidenlijk kunnen gedeputeerde staten de verlening van investeringsbudget intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen, indien:
a. verleende voorschotten zijn besteed aan een ander doel dan stedelijke vernieuwing,
b. de gemeente onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van investeringsbudget zou hebben geleid, of
c. de verlening van investeringsbudget anderszins onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten.
3. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop het investeringsbudget is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.