BWBR0011674
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 6
Besluit opheffing Landbouwschap
1. De opheffing van het Landbouwschap tast de rechtskracht van de door dat lichaam wettig opgelegde heffingen niet aan.
2. De Raad vordert bij verordening de medewerking van de besturen van de daarbij aan te wijzen productschappen ten behoeve van de invordering van de aan het Landbouwschap, krachtens artikel 126, eerste en tweede lid, van de wet, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verschuldigde bedragen, voorzover hun grond vindende in heffingsverordeningen waarop de in het eerste lid bedoelde heffingen zijn gebaseerd, inclusief de rechtsvorderingen die samenhangen met de heffingen. Met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit zijn de bedragen verschuldigd aan de bedoelde productschappen. De in de eerste zin bedoelde medewerking kan tevens worden gevorderd indien in het kader van de vereffening van het vermogen toepassing wordt gegeven aan de verordening, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel d.
3. Door of namens de voorzitter van het Landbouwschap uitgevaardigde dwangbevelen als bedoeld in artikel 127, eerste lid, van de wetbehouden hun rechtskracht.
4. De kosten van de invordering van de in het tweede lid bedoelde bedragen worden in rekening gebracht bij de Raad, die deze ten laste brengt van het vermogen van het Landbouwschap. Artikel 10, eerste, derde en vierde lid, is in dat geval van toepassing.
5. De in het tweede lid bedoelde bedragen worden na inning overgedragen aan de Raad en toegevoegd aan het vermogen van het Landbouwschap.
2. De Raad vordert bij verordening de medewerking van de besturen van de daarbij aan te wijzen productschappen ten behoeve van de invordering van de aan het Landbouwschap, krachtens artikel 126, eerste en tweede lid, van de wet, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit verschuldigde bedragen, voorzover hun grond vindende in heffingsverordeningen waarop de in het eerste lid bedoelde heffingen zijn gebaseerd, inclusief de rechtsvorderingen die samenhangen met de heffingen. Met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit zijn de bedragen verschuldigd aan de bedoelde productschappen. De in de eerste zin bedoelde medewerking kan tevens worden gevorderd indien in het kader van de vereffening van het vermogen toepassing wordt gegeven aan de verordening, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel d.
3. Door of namens de voorzitter van het Landbouwschap uitgevaardigde dwangbevelen als bedoeld in artikel 127, eerste lid, van de wetbehouden hun rechtskracht.
4. De kosten van de invordering van de in het tweede lid bedoelde bedragen worden in rekening gebracht bij de Raad, die deze ten laste brengt van het vermogen van het Landbouwschap. Artikel 10, eerste, derde en vierde lid, is in dat geval van toepassing.
5. De in het tweede lid bedoelde bedragen worden na inning overgedragen aan de Raad en toegevoegd aan het vermogen van het Landbouwschap.