BWBR0011674
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 11
Besluit opheffing Landbouwschap
1. Voorzover de saldi opcenten algemene heffing betrekking hebben op de werkingssfeer van, respectievelijk voorzover de sectorsaldi betrekking hebben op de vervulling van taken die zijn overgedragen aan het Hoofdproductschap Akkerbouw, het Productschap Tuinbouw, het Productschap Pluimvee en Eieren, het Productschap Vee en Vlees en het Produktschap voor Zuivel, komen de desbetreffende, uit de goedgekeurde rekening blijkende eindsaldi ten goede aan de genoemde productschappen.
2. Hetgeen na toepassing van het eerste lid aan vermogen van het Landbouwschap resteert, alsmede hetgeen na beëindiging van de taken van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde fondsen resteert, komt ten goede aan de in het eerste lid genoemde productschappen, naar rato van de in de bijlage bij dit besluit genoemde percentages.
3. Voorzover niet reeds bij verordening bepaald, beslissen de besturen van de genoemde productschappen over de bestemming van de gelden. Alvorens te besluiten, wint het bestuur het advies in van het betrokken sectorbestuur dan wel de sectorcommissie, voorzover daarin organisatorisch bij de betrokken productschappen is voorzien.
4. Besluiten als bedoeld in het derde lid behoeven de goedkeuring van de Raad.
5. De bestemming van hetgeen na beëindiging van de taken van het in artikel 8, vierde lid, bedoelde fonds resteert, wordt door de Raad, gehoord de betrokken ondernemers- en werknemersorganisaties, bepaald. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2. Hetgeen na toepassing van het eerste lid aan vermogen van het Landbouwschap resteert, alsmede hetgeen na beëindiging van de taken van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde fondsen resteert, komt ten goede aan de in het eerste lid genoemde productschappen, naar rato van de in de bijlage bij dit besluit genoemde percentages.
3. Voorzover niet reeds bij verordening bepaald, beslissen de besturen van de genoemde productschappen over de bestemming van de gelden. Alvorens te besluiten, wint het bestuur het advies in van het betrokken sectorbestuur dan wel de sectorcommissie, voorzover daarin organisatorisch bij de betrokken productschappen is voorzien.
4. Besluiten als bedoeld in het derde lid behoeven de goedkeuring van de Raad.
5. De bestemming van hetgeen na beëindiging van de taken van het in artikel 8, vierde lid, bedoelde fonds resteert, wordt door de Raad, gehoord de betrokken ondernemers- en werknemersorganisaties, bepaald. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister.