BWBR0011512
Geldig vanaf 2000-08-15
Artikel 5
Regeling toezichtskosten Wet toezicht effectenverkeer 1995
1. Aan de in Nederland gevestigde effecteninstellingen die uitsluitend voor eigen rekening effectendiensten verrichten en waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wetis verleend wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze effecteninstellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar.
2. Aan de in Nederland gevestigde effecteninstellingen die niet uitsluitend voor eigen rekening effectendiensten verrichten en waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wetis verleend wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze effecteninstellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
3. Aan de kredietinstellingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht kredietwezen 1992is verleend, wordt, indien zij ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de wetals effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze kredietinstellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
4. Aan de kredietinstellingen die ingevolge artikel 31of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mogen uitoefenen, aan de financiële instellingen waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 van die wetis verleend, en aan de financiële instellingen die ingevolge artikel 50 van die wetwerkzaamheden in Nederland mogen uitoefenen, wordt, indien zij ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de wet, in Nederland als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze instellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
5. Aan de niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wetis verleend, en aan de effecteninstellingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i of j, van de wet, wordt, indien zij in Nederland als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. In afwijking van het hiervoor gestelde geldt dat een buitenlandse effecteninstelling die onder adequaat toezicht staat en in of vanuit Nederland uitsluitend effectendiensten voor eigen rekening verricht, geen heffing krijgt opgelegd.
Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze effecteninstellingen, gegenereerd in het jaar voorgaand aan het begrotingsjaar.
6. De in het eerste lid, tweede lid, onder a, derde lid, onder a, vierde lid, onder a en de in het vijfde lid, onder a, bedoelde bedragen worden jaarlijks door de minister vastgesteld op basis van de in artikel 2bedoelde begroting en in de Staatscourant bekend gemaakt.
7. De in het eerste lid, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, vierde lid, onder b en vijfde lid, onder b, bedoelde bedragen zijn niet lager dan een vast te stellen minimum.
8. Aan de houders van een effectenbeurs waaraan een erkenning of ontheffing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 25, eerste lid, van de wetis verleend, en aan de houders van een effectenbeurs op wie een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 22, vierde lid, of 25, eerste lid, van de wetvan toepassing is, wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
9. Aan de effecteninstellingen waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wetvan toepassing is, wordt, indien zij in het register, bedoeld in artikel 21 van de wet, zijn dan wel hadden moeten zijn ingeschreven, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
10. Aan instellingen te wier laste effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
11. De in de voorgaande leden bedoelde percentages en bedragen worden jaarlijks op basis van de ingevolge artikel 2, vierde lid, goedgekeurde begrotingen door de minister vastgesteld. Van de vastgestelde percentages en bedragen wordt voor 15 augustus van het jaar waarop zij betrekking hebben mededeling gedaan in de Staatscourant.
12. De minister kan op basis van de ingevolge artikel 2, vierde lid, goedgekeurde begrotingen, vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de percentages, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, voorlopige percentages vaststellen. Van de vastgestelde voorlopige percentages wordt voor 1 april van het jaar waarop zij betrekking hebben mededeling gedaan in de Staatscourant.
13. Op de op grond van dit artikel in rekening te brengen bedragen kan een korting van € 12,50 worden toegepast indien automatische incasso is overeengekomen.
2. Aan de in Nederland gevestigde effecteninstellingen die niet uitsluitend voor eigen rekening effectendiensten verrichten en waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wetis verleend wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze effecteninstellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
3. Aan de kredietinstellingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht kredietwezen 1992is verleend, wordt, indien zij ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de wetals effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze kredietinstellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
4. Aan de kredietinstellingen die ingevolge artikel 31of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mogen uitoefenen, aan de financiële instellingen waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 van die wetis verleend, en aan de financiële instellingen die ingevolge artikel 50 van die wetwerkzaamheden in Nederland mogen uitoefenen, wordt, indien zij ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, van de wet, in Nederland als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze instellingen, gegenereerd in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
5. Aan de niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wetis verleend, en aan de effecteninstellingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i of j, van de wet, wordt, indien zij in Nederland als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar diensten aanbieden of verrichten, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht. In afwijking van het hiervoor gestelde geldt dat een buitenlandse effecteninstelling die onder adequaat toezicht staat en in of vanuit Nederland uitsluitend effectendiensten voor eigen rekening verricht, geen heffing krijgt opgelegd.
Dit bedrag bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens artikel 11 van de wet bepaalde; en
b. een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten van deze effecteninstellingen, gegenereerd in het jaar voorgaand aan het begrotingsjaar.
6. De in het eerste lid, tweede lid, onder a, derde lid, onder a, vierde lid, onder a en de in het vijfde lid, onder a, bedoelde bedragen worden jaarlijks door de minister vastgesteld op basis van de in artikel 2bedoelde begroting en in de Staatscourant bekend gemaakt.
7. De in het eerste lid, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, vierde lid, onder b en vijfde lid, onder b, bedoelde bedragen zijn niet lager dan een vast te stellen minimum.
8. Aan de houders van een effectenbeurs waaraan een erkenning of ontheffing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 25, eerste lid, van de wetis verleend, en aan de houders van een effectenbeurs op wie een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 22, vierde lid, of 25, eerste lid, van de wetvan toepassing is, wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
9. Aan de effecteninstellingen waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wetvan toepassing is, wordt, indien zij in het register, bedoeld in artikel 21 van de wet, zijn dan wel hadden moeten zijn ingeschreven, jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
10. Aan instellingen te wier laste effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs wordt jaarlijks een bedrag in rekening gebracht.
11. De in de voorgaande leden bedoelde percentages en bedragen worden jaarlijks op basis van de ingevolge artikel 2, vierde lid, goedgekeurde begrotingen door de minister vastgesteld. Van de vastgestelde percentages en bedragen wordt voor 15 augustus van het jaar waarop zij betrekking hebben mededeling gedaan in de Staatscourant.
12. De minister kan op basis van de ingevolge artikel 2, vierde lid, goedgekeurde begrotingen, vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de percentages, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, voorlopige percentages vaststellen. Van de vastgestelde voorlopige percentages wordt voor 1 april van het jaar waarop zij betrekking hebben mededeling gedaan in de Staatscourant.
13. Op de op grond van dit artikel in rekening te brengen bedragen kan een korting van € 12,50 worden toegepast indien automatische incasso is overeengekomen.