BWBR0011512
Geldig vanaf 2000-08-15
Artikel 6
Regeling toezichtskosten Wet toezicht effectenverkeer 1995
1. De toezichthoudende autoriteiten bepalen, ieder voor zover zij op grond van het overdrachtsbesluit Wet toezicht effectenverkeer 1995zijn belast met de uitvoering van de wet, de wijze en het tijdstip van de betaling van de bedragen bedoeld in de artikelen 4, eerste tot en met vierde lid, 5, eerste tot en met vijfde en achtste tot en met tiende lid, 9, eerste en tweede lid, en 10.
2. Een toezichthoudende autoriteit kan, indien artikel 5, twaalfde lid, is toegepast, een bedrag in rekening brengen dat ten hoogste de helft bedraagt van het bedrag dat aan de hand van de door de minister vastgestelde voorlopige percentages op basis van de inkomsten gegenereerd in het tweede jaar voorafgaand aan de begroting, door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit in rekening wordt gebracht.
3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht op het bedrag dat ingevolge artikel 5over het begrotingsjaar in rekening wordt gebracht.
4. De instellingen waaraan een bedrag in rekening wordt gebracht dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten, gegenereerd in het jaar voorafgaande aan de begroting, worden door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit in de gelegenheid gesteld opgave te doen van de omvang van hun inkomsten. Bij ontbreken van zodanige opgave, dan wel bij kennelijke onjuistheid of onvolledigheid daarvan, wordt bij de vaststelling van het in rekening te brengen bedrag uitgegaan van een door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit geraamde omvang van deze inkomsten.
2. Een toezichthoudende autoriteit kan, indien artikel 5, twaalfde lid, is toegepast, een bedrag in rekening brengen dat ten hoogste de helft bedraagt van het bedrag dat aan de hand van de door de minister vastgestelde voorlopige percentages op basis van de inkomsten gegenereerd in het tweede jaar voorafgaand aan de begroting, door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit in rekening wordt gebracht.
3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht op het bedrag dat ingevolge artikel 5over het begrotingsjaar in rekening wordt gebracht.
4. De instellingen waaraan een bedrag in rekening wordt gebracht dat wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van de inkomsten, gegenereerd in het jaar voorafgaande aan de begroting, worden door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit in de gelegenheid gesteld opgave te doen van de omvang van hun inkomsten. Bij ontbreken van zodanige opgave, dan wel bij kennelijke onjuistheid of onvolledigheid daarvan, wordt bij de vaststelling van het in rekening te brengen bedrag uitgegaan van een door de desbetreffende toezichthoudende autoriteit geraamde omvang van deze inkomsten.