BWBR0011512
Geldig vanaf 2000-08-15
Artikel 7
Regeling toezichtskosten Wet toezicht effectenverkeer 1995
1. a. Aan de in artikel 5, eerste en tweede lid, bedoelde effecteninstellingen waaraan na 1 januari van het lopende begrotingsjaar een vergunning is verleend, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen in het lopende begrotingsjaar dat de betrokken instellingen in het bezit van een vergunning zijn.
b. Aan de in artikel 5, derde lid, bedoelde kredietinstellingen, die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, derde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aanbieden of verrichten.
2. Aan de in artikel 5, vierde lid, bedoelde kredietinstellingen en financiële instellingen die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen in Nederland diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, vierde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in Nederland aanbieden of verrichten.
3. Aan de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde effecteninstellingen die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in Nederland aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de effecteninstellingen als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten in Nederland aanbieden of verrichten.
4. Aan de in artikel 5, negende lid, bedoelde instellingen, waarop na 1 januari van het lopende begrotingsjaar een vrijstelling van toepassing is, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, negende lid, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de vrijstelling van toepassing was.
5. Aan de in artikel 5, tiende lid, bedoelde instellingen, te wier laste na 1 januari van het lopende begrotingsjaar effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet, erkende effectenbeurs, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, tiende lid, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de effecten zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs.
6. Indien gedurende het begrotingsjaar een op grond van artikel 7, eerste lid, van de wetverleende vergunning wordt ingetrokken, een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 21 van de wetwordt doorgehaald, een erkenning als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wetof een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wetwordt ingetrokken, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 22, vierde lid, of 25, eerste lid, van de wetdan wel de notering aan een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs niet langer van toepassing is, worden de bedragen, bedoeld in artikel 5in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen niet in het bezit zijn of behoefden te zijn van een vergunning respectievelijk niet in het register zijn ingeschreven of behoefden te zijn ingeschreven onderscheidenlijk de erkenning, ontheffing dan wel vrijstelling niet van toepassing is.
b. Aan de in artikel 5, derde lid, bedoelde kredietinstellingen, die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, derde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aanbieden of verrichten.
2. Aan de in artikel 5, vierde lid, bedoelde kredietinstellingen en financiële instellingen die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen in Nederland diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, vierde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in Nederland aanbieden of verrichten.
3. Aan de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde effecteninstellingen die na 1 januari van het lopende begrotingsjaar aanvangen diensten als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in Nederland aan te bieden of te verrichten, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, in rekening gebracht op basis van het in dat lid bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de effecteninstellingen als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten in Nederland aanbieden of verrichten.
4. Aan de in artikel 5, negende lid, bedoelde instellingen, waarop na 1 januari van het lopende begrotingsjaar een vrijstelling van toepassing is, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, negende lid, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de vrijstelling van toepassing was.
5. Aan de in artikel 5, tiende lid, bedoelde instellingen, te wier laste na 1 januari van het lopende begrotingsjaar effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet, erkende effectenbeurs, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 5, tiende lid, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de effecten zijn toegelaten tot de notering van een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs.
6. Indien gedurende het begrotingsjaar een op grond van artikel 7, eerste lid, van de wetverleende vergunning wordt ingetrokken, een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 21 van de wetwordt doorgehaald, een erkenning als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wetof een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wetwordt ingetrokken, een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 22, vierde lid, of 25, eerste lid, van de wetdan wel de notering aan een op grond van artikel 22, eerste lid, van de weterkende effectenbeurs niet langer van toepassing is, worden de bedragen, bedoeld in artikel 5in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal dagen van het begrotingsjaar dat de betrokken instellingen niet in het bezit zijn of behoefden te zijn van een vergunning respectievelijk niet in het register zijn ingeschreven of behoefden te zijn ingeschreven onderscheidenlijk de erkenning, ontheffing dan wel vrijstelling niet van toepassing is.