BWBR0011391
Geldig vanaf 01-08-2001
Artikel 4
Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij
1. Op het vaststellen van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen d en e, zijn de artikelen 2 en 3 van het Inkomensbesluit IOAZ van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het Inkomensbesluit IOAZ de minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
2. Op de waardering van het vermogen, bedoeld in artikel 9, onderdeel f, is het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2000, houdende nadere regels met betrekking tot de waardering van het vermogen van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stcrt. 244), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 11 en 12 van het Besluit de minister in plaats treedt van burgemeester en wethouders.
2. Op de waardering van het vermogen, bedoeld in artikel 9, onderdeel f, is het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2000, houdende nadere regels met betrekking tot de waardering van het vermogen van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stcrt. 244), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 11 en 12 van het Besluit de minister in plaats treedt van burgemeester en wethouders.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0011391
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl