BWBR0011391
Geldig vanaf 2000-06-02
Artikel 9
Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij
1. De zelfstandige voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de zelfstandige is op het tijdstip van de indiening van de aanvraag nog geen 65 jaar en is op 1 januari 2004 ten minste 55 jaar;
b. de zelfstandige oefent één of meer bedrijven uit met tezamen, blijkens de opgave gedaan overeenkomstig artikel 3 van de Regeling landbouwtelling 2000, een productieomvang van ten minste 15 Nederlandse grootte-eenheden van de in bijlage A bij deze regeling aangegeven diersoorten, onderscheidenlijk diercategorieën;
c. de zelfstandige heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken rechtmatig in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie een bedrijf uitgeoefend, en heeft gedurende zeven jaar voorafgaand aan de bedoelde drie jaar rechtmatig een bedrijf of een beroep in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie uitgeoefend of arbeid in dienstverband verricht;
d. de zelfstandige heeft gedurende de laatste drie boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend gemiddeld per jaar een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven genoten dat minder is dan € 30.017,56;
e. de zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven hebben dat naar het oordeel van de minister duurzaam minder is dan € 20.011,71;
f. de zelfstandige komt niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet of komt in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet maar heeft een vermogen dat groter is dan € 102.554,33;
g. de zelfstandige heeft uiterlijk tegelijk met de aanvraag tot verlening van een bijdrage op grond van deze regeling bij de Directeur Laser een aanvraag ingediend tot subsidieverlening op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken voor alle veehouderijtakken op elk van zijn bedrijven.
2. Geen bijdrage wordt verleend indien:
a. de zelfstandige een subsidie op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken is geweigerd;
b. de zelfstandige zelf of de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt;
c. de zelfstandige buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
d. de zelfstandige niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
e. de zelfstandige rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, d of e, wordt de zelfstandige voor de toepassing van artikel 7aangemerkt als alleenstaande.
a. de zelfstandige is op het tijdstip van de indiening van de aanvraag nog geen 65 jaar en is op 1 januari 2004 ten minste 55 jaar;
b. de zelfstandige oefent één of meer bedrijven uit met tezamen, blijkens de opgave gedaan overeenkomstig artikel 3 van de Regeling landbouwtelling 2000, een productieomvang van ten minste 15 Nederlandse grootte-eenheden van de in bijlage A bij deze regeling aangegeven diersoorten, onderscheidenlijk diercategorieën;
c. de zelfstandige heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken rechtmatig in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie een bedrijf uitgeoefend, en heeft gedurende zeven jaar voorafgaand aan de bedoelde drie jaar rechtmatig een bedrijf of een beroep in Nederland of in een andere lidstaat van de Europese Unie uitgeoefend of arbeid in dienstverband verricht;
d. de zelfstandige heeft gedurende de laatste drie boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend gemiddeld per jaar een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven genoten dat minder is dan € 30.017,56;
e. de zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf een inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven hebben dat naar het oordeel van de minister duurzaam minder is dan € 20.011,71;
f. de zelfstandige komt niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet of komt in aanmerking voor een uitkering op grond van de wet maar heeft een vermogen dat groter is dan € 102.554,33;
g. de zelfstandige heeft uiterlijk tegelijk met de aanvraag tot verlening van een bijdrage op grond van deze regeling bij de Directeur Laser een aanvraag ingediend tot subsidieverlening op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken voor alle veehouderijtakken op elk van zijn bedrijven.
2. Geen bijdrage wordt verleend indien:
a. de zelfstandige een subsidie op grond van artikel 5 van de Regeling beëindiging veehouderijtakken is geweigerd;
b. de zelfstandige zelf of de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt;
c. de zelfstandige buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
d. de zelfstandige niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
e. de zelfstandige rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
3. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, d of e, wordt de zelfstandige voor de toepassing van artikel 7aangemerkt als alleenstaande.