BWBR0011187
Geldig vanaf 2000-03-12
Artikel 7
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2000
1. Het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen 2000 heeft als doel het ondersteunen van de realisatie van de reductiedoelstelling in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (kamerstukken II 1998/99, 22 603, nr. 1) op het terrein van de overige broeikasgassen, zijnde methaan (CH
2. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een fundamenteel onderzoeksproject betreft, gericht op de reductie van emissies bij afvalstortplaatsen of bij de olie- en gaswinning;
b. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject of pre-concurrentieel haalbaarheidsproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 20.000,-;
c. het een industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 50.000,-;
d. het een kennisoverdrachtproject betreft waarbij geen brancheorganisatie betrokken is;
e. het project niet volledig in Nederland wordt uitgevoerd, tenzij uit de aanvraag tot subsidieverlening blijkt dat: 1º. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd;
2º. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en
3º. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.
1º. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd;
2º. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en
3º. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.
3. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van verschillende onderdelen van de bedrijfskolom;
b. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van degenen die de beschikbaar komende technologie ontwikkelen en degenen die de beschikbaar komende technologie gebruiken.
4. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek, en
b. worden de kosten terzake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten of de bescherming van die rechten, niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
5. In afwijking van artikel 4is het maximale subsidiebedrag voor:
6. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
7. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2000 bedraagt f 7.000.000,-.
8. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
9. Indien het een demonstratieproject, marktintroductieproject of toepassingsproject betreft, voegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling een onderzoeksrapport waaruit blijkt in hoeverre het project daadwerkelijk bijdraagt aan de vermindering van de emissie van de broeikasgassen waarop het project betrekking heeft.
10. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.
11. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 november 2000.
2. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een fundamenteel onderzoeksproject betreft, gericht op de reductie van emissies bij afvalstortplaatsen of bij de olie- en gaswinning;
b. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject of pre-concurrentieel haalbaarheidsproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 20.000,-;
c. het een industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 50.000,-;
d. het een kennisoverdrachtproject betreft waarbij geen brancheorganisatie betrokken is;
e. het project niet volledig in Nederland wordt uitgevoerd, tenzij uit de aanvraag tot subsidieverlening blijkt dat: 1º. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd;
2º. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en
3º. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.
1º. het project redelijkerwijs niet volledig in Nederland kan worden uitgevoerd;
2º. beoogd wordt de techniek waar het project betrekking op heeft in Nederland toe te passen, en
3º. het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft.
3. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van verschillende onderdelen van de bedrijfskolom;
b. de mate waarin sprake is van betrokkenheid bij het project van degenen die de beschikbaar komende technologie ontwikkelen en degenen die de beschikbaar komende technologie gebruiken.
4. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek, en
b. worden de kosten terzake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten of de bescherming van die rechten, niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
5. In afwijking van artikel 4is het maximale subsidiebedrag voor:
6. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
7. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2000 bedraagt f 7.000.000,-.
8. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
9. Indien het een demonstratieproject, marktintroductieproject of toepassingsproject betreft, voegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling een onderzoeksrapport waaruit blijkt in hoeverre het project daadwerkelijk bijdraagt aan de vermindering van de emissie van de broeikasgassen waarop het project betrekking heeft.
10. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.
11. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 november 2000.