BWBR0011187
Geldig vanaf 2000-03-12
Artikel 12
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2000
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
2. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2000 heeft als doel het stimuleren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 30% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 30% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
b. hybride voertuigen;
c. personen- of bestelauto’s met volledig elektrische aandrijving;
d. bestelauto’s die voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn;
e. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.02 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.02 gram/kWh;
f. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 gram/kWh;
g. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare motorvoertuigen die zijn uitgerust met een dieselmotor;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare motorvoertuigen die zijn uitgerust met een dieselmotor;
h. stads- en streekbussen met een hybride aandrijving die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met ten hoogste 100 kW motorvermogen en die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage;
i. dieselmotoren met een asvermogen van 500 kW tot 2000 kW, bestemd voor de voortstuwing van vaartuigen en die zijn voorzien van een systeem waarmee het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd met het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
j. stads- of streekbussen die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1990 tot en met 31 december 1999, en
2º. zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36), of
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1990 tot en met 31 december 1999, en
2º. zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36), of
k. k. de overdracht van kennis die is opgedaan in demonstratieprojecten met mobiele bronnen waarvoor een bijdrage is toegekend op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma's en subsidieplafonds op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, de Regeling milieugerichte technologie 1999, of de onderhavige regeling, voor zover die kennisoverdracht niet reeds deel uitmaakte van die projecten.
4. Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdelen a, onder 1°, en d, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
5. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 200.000,- en in welk kader eerste prototypen in de praktijk beproefd worden;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 250.000,-;
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 1.000.000,-;
d. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 25 personen- of bestelauto’s met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem;
e. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- of streekbussen, als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, f, en g, of ten minste 25 stads- of streekbussen als bedoeld in het derde lid, onderdeel j, of
f. het een kennisoverdrachtsproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 50.000,-.
6. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.
7. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek;
b. worden de kosten terzake de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten, alsmede terzake de bescherming van die rechten, niet tot de subsidiabele kosten gerekend, en
c. worden de kostenbesparingen die gedurende de looptijd van een project voortvloeien uit het gebruik van brandstof die goedkoper is dan de voor het type voertuig gebruikelijke brandstof, op de subsidiabele kosten in mindering gebracht.
8. Kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, kunnen tot de subsidiabele kosten worden gerekend, indien zij zijn gemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van deze regeling en geen samenhang vertonen met de indiening van de aanvraag. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de indiening van de aanvraag worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
9. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2000 bedraagt f 8.000.000,-.
10. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
11. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op motorvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de motorvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik worden genomen, dan wel -ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 motorvoertuigen betreft ‐ de eerste helft van de motorvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de motorvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen.
12. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door niet tot de rijksoverheid behorende aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken, bestemd voor de toepassing op mobiele bronnen, of door personen, bedrijven of instellingen die betrokken zijn bij kennisoverdracht.
13. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 november 2000.
2. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2000 heeft als doel het stimuleren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto’s die: 1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 30% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
1º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76), en
2º. ten minste 30% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting, uitgedrukt in lengte maal breedte, als de personenauto’s waarop het project betrekking heeft;
b. hybride voertuigen;
c. personen- of bestelauto’s met volledig elektrische aandrijving;
d. bestelauto’s die voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde richtlijn;
e. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.02 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 3.5 gram/kWh en voor deeltjes niet hoger is dan 0.02 gram/kWh;
f. vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 gram/kWh;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. waarvan de emissie van NOx niet hoger is dan 2 gram/kWh;
g. vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare motorvoertuigen die zijn uitgerust met een dieselmotor;
1º. die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan qua toepassing en afmetingen vergelijkbare motorvoertuigen die zijn uitgerust met een dieselmotor;
h. stads- en streekbussen met een hybride aandrijving die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met ten hoogste 100 kW motorvermogen en die voldoet aan de eisen, zoals vastgelegd in de bijlage;
i. dieselmotoren met een asvermogen van 500 kW tot 2000 kW, bestemd voor de voortstuwing van vaartuigen en die zijn voorzien van een systeem waarmee het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd met het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
j. stads- of streekbussen die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1990 tot en met 31 december 1999, en
2º. zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36), of
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1990 tot en met 31 december 1999, en
2º. zijn voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36), of
k. k. de overdracht van kennis die is opgedaan in demonstratieprojecten met mobiele bronnen waarvoor een bijdrage is toegekend op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma's en subsidieplafonds op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, de Regeling milieugerichte technologie 1999, of de onderhavige regeling, voor zover die kennisoverdracht niet reeds deel uitmaakte van die projecten.
4. Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdelen a, onder 1°, en d, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
5. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 200.000,- en in welk kader eerste prototypen in de praktijk beproefd worden;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 250.000,-;
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 1.000.000,-;
d. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 25 personen- of bestelauto’s met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem;
e. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 vrachtauto’s, speciale voertuigen, touringcars of stads- of streekbussen, als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, f, en g, of ten minste 25 stads- of streekbussen als bedoeld in het derde lid, onderdeel j, of
f. het een kennisoverdrachtsproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 50.000,-.
6. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.
7. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek;
b. worden de kosten terzake de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten, alsmede terzake de bescherming van die rechten, niet tot de subsidiabele kosten gerekend, en
c. worden de kostenbesparingen die gedurende de looptijd van een project voortvloeien uit het gebruik van brandstof die goedkoper is dan de voor het type voertuig gebruikelijke brandstof, op de subsidiabele kosten in mindering gebracht.
8. Kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, kunnen tot de subsidiabele kosten worden gerekend, indien zij zijn gemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van deze regeling en geen samenhang vertonen met de indiening van de aanvraag. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de indiening van de aanvraag worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
9. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2000 bedraagt f 8.000.000,-.
10. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
11. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op motorvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de motorvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik worden genomen, dan wel -ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 motorvoertuigen betreft ‐ de eerste helft van de motorvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de motorvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen.
12. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door niet tot de rijksoverheid behorende aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken, bestemd voor de toepassing op mobiele bronnen, of door personen, bedrijven of instellingen die betrokken zijn bij kennisoverdracht.
13. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 november 2000.