BWBR0011101
Geldig vanaf 2000-01-21
Artikel 9
Regeling varkensleveringen
1. In afwijking van artikel 7is het de exploitant van een A-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover:
a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland;
b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte;
c. in een periode van ten minste zes weken voorafgaand aan de dag van aanvoer geen varkens op het A-bedrijf zijn aangevoerd, en
d. de aangevoerde varkens na aanvoer worden gehouden in een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, totdat uit het in artikel 2, onderdeel b, bedoelde serologisch onderzoek blijkt dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest bevat, dan wel binnen zes weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis.
2. In afwijking van artikel 7is het de exploitant van een A-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voorzover:
a. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven, of
b. varkens worden afgevoerd naar ten hoogste één cluster.
3. De exploitant van het A-bedrijf kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.
a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland;
b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte;
c. in een periode van ten minste zes weken voorafgaand aan de dag van aanvoer geen varkens op het A-bedrijf zijn aangevoerd, en
d. de aangevoerde varkens na aanvoer worden gehouden in een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, totdat uit het in artikel 2, onderdeel b, bedoelde serologisch onderzoek blijkt dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest bevat, dan wel binnen zes weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis.
2. In afwijking van artikel 7is het de exploitant van een A-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voorzover:
a. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven, of
b. varkens worden afgevoerd naar ten hoogste één cluster.
3. De exploitant van het A-bedrijf kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.