BWBR0011101
Geldig vanaf 2000-01-21
Artikel 5
Regeling varkensleveringen
1. De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf of C-bedrijf met onmiddellijke ingang schorsen voor een bepaalde termijn, indien:
a. het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen, dan wel
b. blijkt dat in een periode van twaalf maanden de exploitant van een varkenshouderijbedrijf meer dan eenmaal varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.
2. De minister kan de schorsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens verlengen voor een termijn van ten hoogste vier weken.
3. In geval van schorsing van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 9, 10en 11niet van toepassing.
4. De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf of C-bedrijf intrekken, indien:
a. blijkt dat het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, terwijl de exploitant van het varkenshouderijbedrijf in de gelegenheid is gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel
b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijkt dat het varkenshouderijbedrijf nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4;
c. blijkt dat in een periode van twaalf maanden na het besluit tot schorsen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, de exploitant van een varkenshouderijbedrijf opnieuw varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.
a. het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen, dan wel
b. blijkt dat in een periode van twaalf maanden de exploitant van een varkenshouderijbedrijf meer dan eenmaal varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.
2. De minister kan de schorsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens verlengen voor een termijn van ten hoogste vier weken.
3. In geval van schorsing van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 9, 10en 11niet van toepassing.
4. De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf of C-bedrijf intrekken, indien:
a. blijkt dat het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, terwijl de exploitant van het varkenshouderijbedrijf in de gelegenheid is gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel
b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijkt dat het varkenshouderijbedrijf nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4;
c. blijkt dat in een periode van twaalf maanden na het besluit tot schorsen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, de exploitant van een varkenshouderijbedrijf opnieuw varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.