BWBR0010333
Geldig vanaf 1999-04-01
Artikel e
Regeling politiesurveillancehonden 1999
1. t/m 4. De geleider dient de lijn waarmee de hond aangelijnd is met die hand vast te houden aan welke zijde de hond zich bevindt. Van de geleider mag geen enkele dreiging uitgaan. Tijdens de onderdelen mag hij geen tekens of extra commando’s aan zijn hond geven. Bij onaangelijnd surveilleren dient de lijn niet zichtbaar te zijn.
Aftrek vindt plaats in geval er geen sprake is van een slappe lijn, in geval van onoplettendheid en indien de geleider de politiesurveillancehond niet direct naast zich houdt. De met betrekking tot de surveillance omschreven vereisten worden per onderdeel beoordeeld. Voor iedere niet juiste uitvoering daarvan vindt per keer aftrek plaats van één punt.
5. Bij dit onderdeel dient de hond oplettend te zijn. Hij mag zich niet verplaatsen, niet gaan zitten en niet gaan staan. De omschreven vereisten worden apart beoordeeld. Voor iedere niet juiste uitvoering daarvan vindt per keer aftrek plaats van één punt. Verlaat de hond de eerste ingenomen plaats over een afstand van meer dan vijf meter, dan worden geen punten toegekend.
Aftrek vindt plaats in geval er geen sprake is van een slappe lijn, in geval van onoplettendheid en indien de geleider de politiesurveillancehond niet direct naast zich houdt. De met betrekking tot de surveillance omschreven vereisten worden per onderdeel beoordeeld. Voor iedere niet juiste uitvoering daarvan vindt per keer aftrek plaats van één punt.
5. Bij dit onderdeel dient de hond oplettend te zijn. Hij mag zich niet verplaatsen, niet gaan zitten en niet gaan staan. De omschreven vereisten worden apart beoordeeld. Voor iedere niet juiste uitvoering daarvan vindt per keer aftrek plaats van één punt. Verlaat de hond de eerste ingenomen plaats over een afstand van meer dan vijf meter, dan worden geen punten toegekend.