BWBR0010333
Geldig vanaf 1999-04-01
Artikel 7
Regeling politiesurveillancehonden 1999
1. De keuring van de combinatie van geleider en hond geschiedt op basis van het keuringsreglement.
2. Aan een politiesurveillancehond worden tenminste de volgende, in het keuringsreglement nader omschreven eisen gesteld:
a. gehoorzaamheid van de hond aan de geleider;
b. een goede samenwerking van de hond met de geleider;
c. de vaardigheid van de hond in het kunnen nemen van alle hindernissen die voor een goed funktioneren in de praktijk noodzakelijk zijn;
d. het vermogen van de hond om op commando van de geleider geweld tegen derden toe te passen respectievelijk te beëindigen.
3. De hond wordt gedurende de keuring geleid door zijn geleider.
4. Indien de combinatie van geleider en hond de keuring niet met goed gevolg aflegt, bestaat de mogelijkheid een tweede maal en zonodig een derde maal aan de keuring deel te nemen.
5. In geval de combinatie van geleider en hond voor de derde maal de keuring niet met goed gevolg voltooit, komt de betreffende combinatie niet meer voor keuring in aanmerking.
2. Aan een politiesurveillancehond worden tenminste de volgende, in het keuringsreglement nader omschreven eisen gesteld:
a. gehoorzaamheid van de hond aan de geleider;
b. een goede samenwerking van de hond met de geleider;
c. de vaardigheid van de hond in het kunnen nemen van alle hindernissen die voor een goed funktioneren in de praktijk noodzakelijk zijn;
d. het vermogen van de hond om op commando van de geleider geweld tegen derden toe te passen respectievelijk te beëindigen.
3. De hond wordt gedurende de keuring geleid door zijn geleider.
4. Indien de combinatie van geleider en hond de keuring niet met goed gevolg aflegt, bestaat de mogelijkheid een tweede maal en zonodig een derde maal aan de keuring deel te nemen.
5. In geval de combinatie van geleider en hond voor de derde maal de keuring niet met goed gevolg voltooit, komt de betreffende combinatie niet meer voor keuring in aanmerking.