BWBR0010014
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 8
Regeling Geschillencommissie voor de rijkshuisvesting
1. Een partij dient bij de Geschillencommissie een verzoekschrift in, gericht aan de voorzitter van de Geschillencommissie, om bij wijze van bindend advies uitspraak te doen inzake een geschil.
2. Het verzoekschrift dient te zijn ondertekend en in elk geval het volgende te bevatten: de naam van degene die het verzoek heeft ingediend, zijn hoedanigheid, de naam van het ministerie en het dienstonderdeel waarvan hij deel uitmaakt en namens welke hij bevoegd is het verzoek in te dienen, de omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust en voorts de naam van het ministerie en het dienstonderdeel dat door de partij die het verzoekschrift heeft ingediend wordt aangemerkt als wederpartij.
3. De secretaris tekent onverwijld de dag van ontvangst op het verzoekschrift aan en zendt de partij die het verzoekschrift heeft ingediend alsmede de wederpartij een bericht van ontvangst. Hierin is aangegeven wat het verdere verloop van de procedure en wat naar verwachting de daarbij behorende termijnen zullen zijn.
4. De secretaris doet het verzoekschrift in afschrift aan de leden en de plaatsvervangende leden van de Geschillencommissie toekomen.
5. Indien het verzoekschrift niet voldoet aan het tweede lid, deelt de voorzitter de partij die het verzoekschrift heeft ingediend mede in hoeverre het verzoekschrift naar de mening van de Geschillencommissie onvolledig is en nodigt hem uit om het verzuim binnen vier weken te herstellen.
6. De secretaris doet het verzoekschrift en de eventueel op grond van het vijfde lid toegezonden aanvullende stukken toekomen aan de wederpartij met het verzoek hierop binnen een termijn van vier weken te reageren.
7. Indien de indiener van het verzoekschrift niet heeft voldaan aan de uitnodiging, bedoeld in het vijfde lid, kan de Geschillencommissie het verzoekschrift als niet voor behandeling vatbaar terzijde leggen. Van een dergelijke beslissing stelt de voorzitter de indiener van het verzoekschrift onverwijld schriftelijk in kennis.
2. Het verzoekschrift dient te zijn ondertekend en in elk geval het volgende te bevatten: de naam van degene die het verzoek heeft ingediend, zijn hoedanigheid, de naam van het ministerie en het dienstonderdeel waarvan hij deel uitmaakt en namens welke hij bevoegd is het verzoek in te dienen, de omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het verzoek berust en voorts de naam van het ministerie en het dienstonderdeel dat door de partij die het verzoekschrift heeft ingediend wordt aangemerkt als wederpartij.
3. De secretaris tekent onverwijld de dag van ontvangst op het verzoekschrift aan en zendt de partij die het verzoekschrift heeft ingediend alsmede de wederpartij een bericht van ontvangst. Hierin is aangegeven wat het verdere verloop van de procedure en wat naar verwachting de daarbij behorende termijnen zullen zijn.
4. De secretaris doet het verzoekschrift in afschrift aan de leden en de plaatsvervangende leden van de Geschillencommissie toekomen.
5. Indien het verzoekschrift niet voldoet aan het tweede lid, deelt de voorzitter de partij die het verzoekschrift heeft ingediend mede in hoeverre het verzoekschrift naar de mening van de Geschillencommissie onvolledig is en nodigt hem uit om het verzuim binnen vier weken te herstellen.
6. De secretaris doet het verzoekschrift en de eventueel op grond van het vijfde lid toegezonden aanvullende stukken toekomen aan de wederpartij met het verzoek hierop binnen een termijn van vier weken te reageren.
7. Indien de indiener van het verzoekschrift niet heeft voldaan aan de uitnodiging, bedoeld in het vijfde lid, kan de Geschillencommissie het verzoekschrift als niet voor behandeling vatbaar terzijde leggen. Van een dergelijke beslissing stelt de voorzitter de indiener van het verzoekschrift onverwijld schriftelijk in kennis.