BWBR0010014
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 2
Regeling Geschillencommissie voor de rijkshuisvesting
1. Er is een Geschillencommissie voor de Rijkshuisvesting.
2. De Geschillencommissie is gevestigd te ’s-Gravenhage.
3. De Geschillencommissie bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden die allen door de minister worden benoemd. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van de directeur-generaal. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van het Rijkshuisvestingsberaad. Het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger worden benoemd op gezamenlijke voordracht van de in de tweede en derde volzin bedoelde leden en plaatsvervangende leden.
4. Indien de benoeming van het derde lid en diens plaatsvervanger niet kan geschieden op de wijze als in het derde lid voorzien, geschiedt de benoeming zonder voordracht
5. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een zittingsduur van vier jaar. Bij tussentijdse benoeming treedt de benoemde af op het tijdstip waarop de zittingsduur van degene in wiens plaats hij wordt benoemd een einde neemt.
6. De leden en de plaatsvervangende leden zijn herbenoembaar.
7. Lid of plaatsvervangend lid van de Geschillencommissie kan niet zijn hij die zodanige betrekkingen heeft met de rijksoverheid en derden dat hij daardoor niet in staat wordt geacht zich een onpartijdig oordeel te vormen over de verzoekschriften die aan de Geschillencommissie zullen worden voorgelegd.
8. Aan de leden en plaatsvervangende leden wordt al dan niet op eigen verzoek door de minister tussentijds ontslag verleend.
9. Door de minister wordt de geldelijke vergoeding vastgesteld voor de werkzaamheden die de leden van de Geschillencommissie en hun plaatsvervangers ten behoeve van de commissie verrichten.
2. De Geschillencommissie is gevestigd te ’s-Gravenhage.
3. De Geschillencommissie bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden die allen door de minister worden benoemd. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van de directeur-generaal. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van het Rijkshuisvestingsberaad. Het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger worden benoemd op gezamenlijke voordracht van de in de tweede en derde volzin bedoelde leden en plaatsvervangende leden.
4. Indien de benoeming van het derde lid en diens plaatsvervanger niet kan geschieden op de wijze als in het derde lid voorzien, geschiedt de benoeming zonder voordracht
5. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een zittingsduur van vier jaar. Bij tussentijdse benoeming treedt de benoemde af op het tijdstip waarop de zittingsduur van degene in wiens plaats hij wordt benoemd een einde neemt.
6. De leden en de plaatsvervangende leden zijn herbenoembaar.
7. Lid of plaatsvervangend lid van de Geschillencommissie kan niet zijn hij die zodanige betrekkingen heeft met de rijksoverheid en derden dat hij daardoor niet in staat wordt geacht zich een onpartijdig oordeel te vormen over de verzoekschriften die aan de Geschillencommissie zullen worden voorgelegd.
8. Aan de leden en plaatsvervangende leden wordt al dan niet op eigen verzoek door de minister tussentijds ontslag verleend.
9. Door de minister wordt de geldelijke vergoeding vastgesteld voor de werkzaamheden die de leden van de Geschillencommissie en hun plaatsvervangers ten behoeve van de commissie verrichten.