BWBR0010014
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 4
Regeling Geschillencommissie voor de rijkshuisvesting
1. De Geschillencommissie heeft tot taak het op verzoek beslechten van geschillen tussen de dienst en een afnemer bij wijze van bindend advies.
2. De Geschillencommissie is bevoegd tot het uitbrengen van een bindend advies voor zover het verzoek betrekking heeft op een overeenkomst op basis waarvan een object ter beschikking wordt gesteld.
3. De Geschillencommissie is eveneens bevoegd tot het uitbrengen van een bindend advies voor zover het verzoek betrekking heeft op een overeenkomst die de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid beoogt of op onderhandelingen tussen partijen die in rechtstreeks verband staan met beide hiervoor bedoelde overeenkomsten.
4. De Geschillencommissie is bevoegd zich bij de uitvoering van haar taak bij te laten staan door deskundigen.
5. De Geschillencommissie is bevoegd de secretaris aan te wijzen als degene die namens haar leiding geeft aan het voorlopig onderzoek.
6. De voorzitter van de Geschillencommissie is bevoegd op verzoek van een partij een voorlopige voorziening met betrekking tot een geschil te treffen.
7. De voorzitter van de Geschillencommissie brengt jaarlijks, uiterlijk op 1 maart, aan de minister verslag uit over de werkzaamheden die in het voorafgaande jaar zijn uitgevoerd. In de jaarverslaglegging worden ten minste vermeld de hoeveelheid en de aard van de verzoekschriften die in de voorliggende periode bij de Geschillencommissie zijn ingediend, de tekst van de bindende adviezen zoals die door de Geschillencommissie zijn vastgesteld, de besluiten die de Geschillencommissie heeft genomen en de voorlopige voorzieningen die de voorzitter van de Geschillencommissie heeft getroffen.
8. De voorzitter van de Geschillencommissie doet op verzoek van de minister danwel op eigen initiatief voorstellen aan de minister tot herziening van de regeling.
2. De Geschillencommissie is bevoegd tot het uitbrengen van een bindend advies voor zover het verzoek betrekking heeft op een overeenkomst op basis waarvan een object ter beschikking wordt gesteld.
3. De Geschillencommissie is eveneens bevoegd tot het uitbrengen van een bindend advies voor zover het verzoek betrekking heeft op een overeenkomst die de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid beoogt of op onderhandelingen tussen partijen die in rechtstreeks verband staan met beide hiervoor bedoelde overeenkomsten.
4. De Geschillencommissie is bevoegd zich bij de uitvoering van haar taak bij te laten staan door deskundigen.
5. De Geschillencommissie is bevoegd de secretaris aan te wijzen als degene die namens haar leiding geeft aan het voorlopig onderzoek.
6. De voorzitter van de Geschillencommissie is bevoegd op verzoek van een partij een voorlopige voorziening met betrekking tot een geschil te treffen.
7. De voorzitter van de Geschillencommissie brengt jaarlijks, uiterlijk op 1 maart, aan de minister verslag uit over de werkzaamheden die in het voorafgaande jaar zijn uitgevoerd. In de jaarverslaglegging worden ten minste vermeld de hoeveelheid en de aard van de verzoekschriften die in de voorliggende periode bij de Geschillencommissie zijn ingediend, de tekst van de bindende adviezen zoals die door de Geschillencommissie zijn vastgesteld, de besluiten die de Geschillencommissie heeft genomen en de voorlopige voorzieningen die de voorzitter van de Geschillencommissie heeft getroffen.
8. De voorzitter van de Geschillencommissie doet op verzoek van de minister danwel op eigen initiatief voorstellen aan de minister tot herziening van de regeling.