BWBR0009931
Geldig vanaf 1998-10-17
Artikel 11
Regeling bekostiging, rechtspositie en samenvoeging leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs
1. Op een school voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 21zijn ten aanzien van de bekostiging en rechtspositie de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de WVO, deel I, van toepassing, met dien verstande dat:
a. het vast aantal formatieplaatsen, bedoeld in artikel 2 van het Formatiebesluit W.V.O. 1,73 is,
b. de gemiddelde personeelslast van schoolsoortgroep 1 en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren, zoals bedoeld in de ministeriële regelingen op grond van artikel 85, vijfde lid, van de WVO, van toepassing zijn,
c. de berekening van het leerlingafhankelijk aantal formatieplaatsen van de personeelscategorie leraren genoemd in artikel 3 van het Formatiebesluit W.V.O., geschiedt met de ratio 1/11,00, en
d. artikel 6, tweede en vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. niet van toepassing is.
2. Wat betreft de berekening van de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren is artikel 17van overeenkomstige toepassing.
3. Voor het eerste schooljaar waarin de voorschriften van deel I van de WVOvan toepassing worden, geschiedt de vergoeding voor de faciliteiten ten behoeve van de anderstalige leerlingen als volgt. Het op grond van artikel 22b van het Formatiebesluit WECberekende aantal formatierekeneenheden ten behoeve van onderwijs aan leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond wordt gedeeld door de factor 195. De uitkomst van deze deling, uitgedrukt in formatieplaatsen, wordt afgerond op vier decimalen, waarbij de vierde decimaal met 1 wordt verhoogd indien de vijfde decimaal 5 of hoger is. Wat betreft de controle van de telling van het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond dat ten grondslag ligt aan de in de tweede volzin bedoelde berekening is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.
4. Indien uit een vergelijking blijkt dat de personele lumpsum-vergoeding van een in het eerste lid bedoelde school hoger is dan de vergoeding met declaratiebekostiging, wordt het verschil éénmalig vastgesteld. De personele lumpsum-vergoeding zal met toepassing van de onderdelen 1 tot en met 3 ter beschikking worden gesteld.
1. in het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing wordt, wordt op de personele vergoeding 66 % van het berekende verschil in mindering gebracht.
2. in het eerste schooljaar volgend op het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing is geworden, wordt de personele vergoeding met 33 % van het berekende verschil verminderd.
3. in het tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing is geworden, zal geen vermindering in verband met een vooruitgang in de vergoeding meer plaatsvinden.
5. De in het vierde lid bedoelde vergelijking geschiedt volgens de formule A – B = C, waarbij:
A = de personele vergoeding die de school zou hebben ontvangen, indien de personele lumpsum-vergoeding in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de overgang naar de personele lumpsum-vergoeding daadwerkelijk plaatsvindt, zou zijn toegepast. Bij de personele vergoeding wordt tevens rekening gehouden met het nascholingsbudget en de vergoeding die verstrekt wordt voor het onderwijs aan anderstalige leerlingen. Wat betreft de vergoeding voor het onderwijs aan anderstalige leerlingen wordt uitgegaan van het aantal formatierekeneenheden dat gedurende het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing wordt ten behoeve van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, aan de svo-school ter beschikking is gesteld. Dit aantal formatierekeneenheden wordt gedeeld door de factor 195. De uitkomst van deze deling, uitgedrukt in formatieplaatsen, wordt afgerond op vier decimalen, waarbij devierde decimaal met 1 wordt verhoogd, indien de vijfde decimaal 5 of hoger is. Dit aantal formatieplaatsen wordt vervolgens opgeteld bij het aantal berekende formatie plaatsen van de leraren.
B = de personele declaratiebekostiging die de schoolheeft ontvangen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de overgang naar de personele lumpsum-vergoeding plaatsvindt. Het budget van de personele declaratiebekostiging bestaat uit:
- het loonkostenbudget van het desbetreffende schooljaar, het verzilveringsbedrag dat overeenkomt met het in dat schooljaar verzilverde aantal formatierekeneenheden, en het schoolbudget zoals is vastgelegd in paragraaf 4, onder de letters A tot en met D van de regeling van 8 oktober 2001 (Gele katern 2001, 25) en in dat schooljaar aan de school ter beschikking is gesteld.
Indien er bij de overgang naar personele lumpsum-vergoeding sprake is van een gelijktijdige samenvoeging van scholen of afdelingen, wordt de personele declaratie bekostiging van de afzonderlijke scholen of afdelingen in het schooljaar hieraan voorafgaand gesommeerd.
C = het eenmalig berekende verschil tussen de personele lumpsum-vergoeding en de personele declaratiebekostiging.
a. het vast aantal formatieplaatsen, bedoeld in artikel 2 van het Formatiebesluit W.V.O. 1,73 is,
b. de gemiddelde personeelslast van schoolsoortgroep 1 en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren, zoals bedoeld in de ministeriële regelingen op grond van artikel 85, vijfde lid, van de WVO, van toepassing zijn,
c. de berekening van het leerlingafhankelijk aantal formatieplaatsen van de personeelscategorie leraren genoemd in artikel 3 van het Formatiebesluit W.V.O., geschiedt met de ratio 1/11,00, en
d. artikel 6, tweede en vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. niet van toepassing is.
2. Wat betreft de berekening van de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren is artikel 17van overeenkomstige toepassing.
3. Voor het eerste schooljaar waarin de voorschriften van deel I van de WVOvan toepassing worden, geschiedt de vergoeding voor de faciliteiten ten behoeve van de anderstalige leerlingen als volgt. Het op grond van artikel 22b van het Formatiebesluit WECberekende aantal formatierekeneenheden ten behoeve van onderwijs aan leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond wordt gedeeld door de factor 195. De uitkomst van deze deling, uitgedrukt in formatieplaatsen, wordt afgerond op vier decimalen, waarbij de vierde decimaal met 1 wordt verhoogd indien de vijfde decimaal 5 of hoger is. Wat betreft de controle van de telling van het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond dat ten grondslag ligt aan de in de tweede volzin bedoelde berekening is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.
4. Indien uit een vergelijking blijkt dat de personele lumpsum-vergoeding van een in het eerste lid bedoelde school hoger is dan de vergoeding met declaratiebekostiging, wordt het verschil éénmalig vastgesteld. De personele lumpsum-vergoeding zal met toepassing van de onderdelen 1 tot en met 3 ter beschikking worden gesteld.
1. in het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing wordt, wordt op de personele vergoeding 66 % van het berekende verschil in mindering gebracht.
2. in het eerste schooljaar volgend op het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing is geworden, wordt de personele vergoeding met 33 % van het berekende verschil verminderd.
3. in het tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing is geworden, zal geen vermindering in verband met een vooruitgang in de vergoeding meer plaatsvinden.
5. De in het vierde lid bedoelde vergelijking geschiedt volgens de formule A – B = C, waarbij:
A = de personele vergoeding die de school zou hebben ontvangen, indien de personele lumpsum-vergoeding in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de overgang naar de personele lumpsum-vergoeding daadwerkelijk plaatsvindt, zou zijn toegepast. Bij de personele vergoeding wordt tevens rekening gehouden met het nascholingsbudget en de vergoeding die verstrekt wordt voor het onderwijs aan anderstalige leerlingen. Wat betreft de vergoeding voor het onderwijs aan anderstalige leerlingen wordt uitgegaan van het aantal formatierekeneenheden dat gedurende het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de personele lumpsum-vergoeding van toepassing wordt ten behoeve van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, aan de svo-school ter beschikking is gesteld. Dit aantal formatierekeneenheden wordt gedeeld door de factor 195. De uitkomst van deze deling, uitgedrukt in formatieplaatsen, wordt afgerond op vier decimalen, waarbij devierde decimaal met 1 wordt verhoogd, indien de vijfde decimaal 5 of hoger is. Dit aantal formatieplaatsen wordt vervolgens opgeteld bij het aantal berekende formatie plaatsen van de leraren.
B = de personele declaratiebekostiging die de schoolheeft ontvangen in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de overgang naar de personele lumpsum-vergoeding plaatsvindt. Het budget van de personele declaratiebekostiging bestaat uit:
- het loonkostenbudget van het desbetreffende schooljaar, het verzilveringsbedrag dat overeenkomt met het in dat schooljaar verzilverde aantal formatierekeneenheden, en het schoolbudget zoals is vastgelegd in paragraaf 4, onder de letters A tot en met D van de regeling van 8 oktober 2001 (Gele katern 2001, 25) en in dat schooljaar aan de school ter beschikking is gesteld.
Indien er bij de overgang naar personele lumpsum-vergoeding sprake is van een gelijktijdige samenvoeging van scholen of afdelingen, wordt de personele declaratie bekostiging van de afzonderlijke scholen of afdelingen in het schooljaar hieraan voorafgaand gesommeerd.
C = het eenmalig berekende verschil tussen de personele lumpsum-vergoeding en de personele declaratiebekostiging.