BWBR0009344
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 38
Wet inkomensvoorziening kunstenaars
1. Onze Minister stelt de vergoeding vast binnen een jaar na ontvangst van de kostenopgave bedoeld in artikel 36, tweede lid.
2. Indien de kostenopgave niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring bedoeld in artikel 36, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
3. Onze Minister kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen indien:
a. het uitkering betreft die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het bepaalde bij en krachtens artikel 30;
c. het uitkering betreft die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk IV is of wordt teruggevorderd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
2. Indien de kostenopgave niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring bedoeld in artikel 36, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
3. Onze Minister kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen indien:
a. het uitkering betreft die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het bepaalde bij en krachtens artikel 30;
c. het uitkering betreft die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk IV is of wordt teruggevorderd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.