BWBR0009158
Geldig vanaf 2005-09-13
Artikel 4
Kleine serie-regeling
1. Personenauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring. Richtlijn 70/156/EEGis niet van toepassing.
2. Artikel 3.2.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2, vereiste vermelding van het nummer van de EEG-goedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3. Artikel 3.2.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.
b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat: 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4. Artikel 3.2.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5. Artikel 3.2.16, eerste lid, Voertuigreglement
De proeven worden niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdeling 2 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de massa van de personenauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.
6. Artikel 3.2.16, tweede lid, van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
7. Artikel 3.2.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8. Artikel 3.2.18, tweede lid, Voertuigreglement
Het bepaalde in richtlijn 80/1269/EEGis niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9. Artikel 3.2.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10. Artikel 3.2.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG, Bijlage 1, punt 4.1, met uitzondering van de testen volgens de punten 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is niet van toepassing.
11. Artikel 3.2.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. De deuren, sloten en scharnieren van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 3.4.2.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
12. Artikel 3.2.28 Voertuigreglement
Personenauto’s moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in de bijlagebij deze regeling.
Het bepaalde in richtlijn 77/649/EEGis niet van toepassing.
13. Artikel 3.2.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.
c. Indien geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mag de achterruit geen beeldvertekening vertonen.
d. Het materiaal van de ruiten van personenauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel: 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
e. Het overigens bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14. Artikel 3.2.30, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
b. Personenauto’s moeten zijn uitgerust met ten minste één automatische ruitenwisser, dat wil zeggen een ruitenwisser die bij lopende voertuigmotor kan functioneren zonder enige andere tussenkomst van de bestuurder dan die welke voor het in- en uitschakelen van de ruitenwisserinstallatie nodig is.
c. De ruitenwisser moet ten minste twee wissnelheden hebben.
d. Een der wissnelheden moet gelijk zijn aan of meer bedragen dan 45 slagen per minuut. Onder slag wordt verstaan een volledige heen- en teruggaande beweging van de wisserarm.
e. Een andere wissnelheid moet ten minste 10 en ten hoogste 55 slagen per minuut bedragen.
f. Het verschil tussen de hoogste wissnelheid en ten minste een van de laagste wissnelheden, moet ten minste 15 slagen per minuut bedragen.
g. Wanneer de ruitenwisser wordt uitgeschakeld met de bedieningsschakelaar moeten de wisserarmen automatisch in de ruststand terugkeren.
h. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeier-installatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist.
i. Het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG is niet van toepassing.
15. Artikel 3.2.31 Voertuigreglement
a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die tenminste het directe en indirecte zichtveld, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen, van de bestuurder bereikt.
b. Het bepaalde in richtlijn 78/317/EEG is niet van toepassing.
16. Artikel 3.2.32, eerste en tweede lid, Voertuigreglement
In afwijking van het hieromtrent bepaalde in richtlijn 71/127/EEGen richtlijn 2003/97/EG, mag door een persoon van gemiddelde gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats, worden beoordeeld of wordt voldaan aan de vereiste gezichtsvelden op de weg.
Bij de beoordeling van het gezichtsveld van een spiegel moet de positie van het hoofd van de beoordelaar ten opzichte van de spiegel onveranderd blijven.
17. Artikel 3.2.33 Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
18. Artikel 3.2.34 Voertuigreglement
De bepalingen in bijlage IV tot en met VI van richtlijn 2001/56/EGomtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
19. Artikel 3.2.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen: 1°. richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;
3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;
4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;
5°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.
1°. richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;
3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;
4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;
5°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.
b. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG is niet van toepassing.
20. Artikel 3.2.35, derde lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen voldoen aan het volgende: 1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;
2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;
3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;
4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;
5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;
6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;
2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;
3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;
4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;
5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;
6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
b. Personenauto’s moeten op iedere zijzitplaats voorin zijn voorzien van hoofdsteunen.
c. Hoofdsteunen: 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
d. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG is niet van toepassing.
21. Artikel 3.2.35, vijfde tot en met zevende lid, van het Voertuigreglementzijn niet van toepassing.
22. Artikel 3.2.36, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 76/115/EEGvoorgeschreven methoden voor de beproeving van de bevestigingspunten voor autogordels kunnen worden vervangen door andere beproevingsmethoden indien deze ten minste gelijkwaardig zijn aan de methoden van de richtlijn.
23. Artikel 3.2.36, vijfde lid, Voertuigreglement,
Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. in het in richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat ander type voertuig is vermeld,
b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd, en
c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.
24. Artikel 3.2.37, eerste lid Voertuigreglement
a. Aan de buitenzijde van een personenauto bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst voor lichamelijk letsel van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten.
b. Het bepaalde in richtlijn 74/483 is niet van toepassing.
25. Artikel 3.2.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26. Artikel 3.2.37, zesde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
27. Artikel 3.2.37a van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
28. Artikel 3.2.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
29. Artikel 3.2.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
30. Artikel 3.2.41 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31. Artikel 3.2.54, eerste lid Voertuigreglement
a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.
b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32. Artikel 3.2.55 Voertuigreglement
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG, tenzij de inrichting overeenstemt met een reeds eerder op basis van richtlijn 74/61/EEGgoedgekeurde inrichting.
33. Artikel 3.2.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.
2. Artikel 3.2.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2, vereiste vermelding van het nummer van de EEG-goedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3. Artikel 3.2.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.
b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat: 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4. Artikel 3.2.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5. Artikel 3.2.16, eerste lid, Voertuigreglement
De proeven worden niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdeling 2 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de massa van de personenauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.
6. Artikel 3.2.16, tweede lid, van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
7. Artikel 3.2.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8. Artikel 3.2.18, tweede lid, Voertuigreglement
Het bepaalde in richtlijn 80/1269/EEGis niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9. Artikel 3.2.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10. Artikel 3.2.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG, Bijlage 1, punt 4.1, met uitzondering van de testen volgens de punten 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is niet van toepassing.
11. Artikel 3.2.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. De deuren, sloten en scharnieren van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 3.4.2.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
12. Artikel 3.2.28 Voertuigreglement
Personenauto’s moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in de bijlagebij deze regeling.
Het bepaalde in richtlijn 77/649/EEGis niet van toepassing.
13. Artikel 3.2.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.
c. Indien geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mag de achterruit geen beeldvertekening vertonen.
d. Het materiaal van de ruiten van personenauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel: 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
e. Het overigens bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14. Artikel 3.2.30, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
b. Personenauto’s moeten zijn uitgerust met ten minste één automatische ruitenwisser, dat wil zeggen een ruitenwisser die bij lopende voertuigmotor kan functioneren zonder enige andere tussenkomst van de bestuurder dan die welke voor het in- en uitschakelen van de ruitenwisserinstallatie nodig is.
c. De ruitenwisser moet ten minste twee wissnelheden hebben.
d. Een der wissnelheden moet gelijk zijn aan of meer bedragen dan 45 slagen per minuut. Onder slag wordt verstaan een volledige heen- en teruggaande beweging van de wisserarm.
e. Een andere wissnelheid moet ten minste 10 en ten hoogste 55 slagen per minuut bedragen.
f. Het verschil tussen de hoogste wissnelheid en ten minste een van de laagste wissnelheden, moet ten minste 15 slagen per minuut bedragen.
g. Wanneer de ruitenwisser wordt uitgeschakeld met de bedieningsschakelaar moeten de wisserarmen automatisch in de ruststand terugkeren.
h. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeier-installatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist.
i. Het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG is niet van toepassing.
15. Artikel 3.2.31 Voertuigreglement
a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die tenminste het directe en indirecte zichtveld, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen, van de bestuurder bereikt.
b. Het bepaalde in richtlijn 78/317/EEG is niet van toepassing.
16. Artikel 3.2.32, eerste en tweede lid, Voertuigreglement
In afwijking van het hieromtrent bepaalde in richtlijn 71/127/EEGen richtlijn 2003/97/EG, mag door een persoon van gemiddelde gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats, worden beoordeeld of wordt voldaan aan de vereiste gezichtsvelden op de weg.
Bij de beoordeling van het gezichtsveld van een spiegel moet de positie van het hoofd van de beoordelaar ten opzichte van de spiegel onveranderd blijven.
17. Artikel 3.2.33 Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG.
b. Het overigens bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
18. Artikel 3.2.34 Voertuigreglement
De bepalingen in bijlage IV tot en met VI van richtlijn 2001/56/EGomtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
19. Artikel 3.2.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen: 1°. richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;
3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;
4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;
5°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.
1°. richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;
3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;
4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;
5°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.
b. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG is niet van toepassing.
20. Artikel 3.2.35, derde lid, Voertuigreglement
a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen voldoen aan het volgende: 1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;
2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;
3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;
4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;
5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;
6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;
2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;
3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;
4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;
5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;
6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
b. Personenauto’s moeten op iedere zijzitplaats voorin zijn voorzien van hoofdsteunen.
c. Hoofdsteunen: 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
d. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG is niet van toepassing.
21. Artikel 3.2.35, vijfde tot en met zevende lid, van het Voertuigreglementzijn niet van toepassing.
22. Artikel 3.2.36, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 76/115/EEGvoorgeschreven methoden voor de beproeving van de bevestigingspunten voor autogordels kunnen worden vervangen door andere beproevingsmethoden indien deze ten minste gelijkwaardig zijn aan de methoden van de richtlijn.
23. Artikel 3.2.36, vijfde lid, Voertuigreglement,
Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. in het in richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat ander type voertuig is vermeld,
b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd, en
c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.
24. Artikel 3.2.37, eerste lid Voertuigreglement
a. Aan de buitenzijde van een personenauto bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst voor lichamelijk letsel van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten.
b. Het bepaalde in richtlijn 74/483 is niet van toepassing.
25. Artikel 3.2.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26. Artikel 3.2.37, zesde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
27. Artikel 3.2.37a van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
28. Artikel 3.2.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
29. Artikel 3.2.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
30. Artikel 3.2.41 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31. Artikel 3.2.54, eerste lid Voertuigreglement
a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.
b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32. Artikel 3.2.55 Voertuigreglement
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG, tenzij de inrichting overeenstemt met een reeds eerder op basis van richtlijn 74/61/EEGgoedgekeurde inrichting.
33. Artikel 3.2.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.